Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vleet - (soort van rog)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vleet2* [soort van rog] {vlete 1485} genoemd naar de platte vorm, vgl. vlet.

vloot3* [soort van rog] {1510} nevenvorm van vleet2 [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vleet 2 znw. v. ‘soort van rog’, mnl. vlēte betekent eigenlijk ‘platte vis’ en hangt dus samen met vlet. — Uit het mnl. sedert de 13de eeuw > fra. flet (Valkhoff 137).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vleet 1 v. (visch), Vla. ook vlote + Eng. float, Hgd. flösze, Fr. flotte: van vlieten = zwemmen. De vorm vleet is misschien dial. voor *vliete.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vloot, zn.: grote rog, vleet. Wvl., Mnl. vlote, Vnnl. vlote, visch ‘flassade, raye pollie ou miralet’ (Lambrecht), vlote ‘rog’ (Kiliaan). Var. van Mnl. vlete ‘vleet’, vorm van ww. vloten, vleten ‘drijven’.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2vleet s.nw.
Eetbare vis van die pylstertfamilie.
Uit Ndl. vleet (al Mnl.), so genoem omdat die skyfvorm van die vis aan die vorm van die kurkvlotte van 'n vleet (1vleet) herinner.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vloot 1 zn. v.: vleet (soort rog) (in Gent en Land van Waas). Mnl. vlote, Vnnl. vlote, visch ‘flassade, raye pollie ou miralet’ (Lambrecht), vlote ‘raia minor’ (Kiliaan). Var. van Mnl. vlete ‘vleet’, van ww. vloten, vleten ‘drijven’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vloot 1 (G, W), zn. v.: vleet (soort rog). Mnl. vlote, Vnnl. vlote, visch 'flassade, raye pollie ou miralet' (Lambrecht), vlote 'raia minor' (Kiliaan). Var. van Mnl. vlete 'vleet', van ww. vloten, vleten 'drijven'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vlote 1 (DB, K), zn. v.: vleet (soort rog). Mnl. vlote, Vroegnnl. vlote, visch ‘flas-sade, raye pollie ou miralet’ (Lambrecht), vlote ‘raia minor’ (Kiliaan). Var. van Mnl. vlete ‘vleet’ van ww. vloten, vleten ‘drijven’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vleet ‘soort rog’ -> Frans flet ‘soort rog’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal