Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlechten - (verstrengelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlechten ww. ‘verstrengelen’
Mnl. ulegten ‘vlechten’ [1240; Bern.], vlechten ‘(ver)strengelen’ in elc omme den andren den als ulecht ‘de ene (zwaan) vlecht zijn hals om (die van) de ander’ [1287; VMNW].
Os. flehtan (mnd. vlechten); ohd. flehtan (nhd. flechten); nfri. flechtsje; oe. fleohtan; got. *flaihtan (op grond van het zn. flahta ‘haarvlecht’); < pgm. *flehtan-. Het Noord-Germaans heeft een zwak werkwoord: on. flétta (nzw. fläta) < pgm. *flehtōn-.
Verwant met: Latijn plectere ‘vlechten’ (verl.deelw. plexum, zie ook → complex, → perplex en → repliek); Oudkerkslavisch plesti (1e pers. ev. pletǫ) ‘id.’ (Russisch plestí); < pie. *pleḱ-te-, bij de wortel *pleḱ- ‘vlechten’ (LIV 486). Zonder dentaal zijn nog verwant: Latijn (-)plicāre ‘vlechten, samenvouwen, wikkelen’ (bijv. implicāre, zie → impliceren); Grieks plékein ‘vlechten’, plókos ‘vlecht’; Sanskrit praśna- ‘tulband’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlechten ww., mnl. vlechten, os. flehtan, ohd. flehtan (nhd. flechten); naast deze sterke ww. staat het zwakke on. flētta. — lat. plectō ‘vlechten’, gr. plektḗ ‘touw, net’, osl. pletą, plesti ‘vlechten’ en zonder t-afl. lat. plicō ‘vouwen’, gr. plekō ‘vlechten’, plokḗ ‘vlecht’, oi. praśna- ‘vlechtwerk’ van idg. wt. *pleḱ (IEW 834-5). — Zie ook: vlaak 2 en vlas.

Men kan deze wortel als een afl. van *pel beschouwen, waartoe vouwen behoort; een typische benaming van allerlei soorten van vlechten, die uiteindelijk uitgaat van de werkzaamheden in het oude bosbedrijf (de jonge tenen werden voor vlechtwerk gebruikt).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlecht znw., mnl. vlecht(e) v. (ook “gevlochten riet”, nnl.-haspengouwsch = “dun twijgje”). = mhd. vlëhte (nhd. flechte), mnd. vlëchte, on. flêtta v. “vlecht”, ags. Corp. flëcta “cratem”. Bij vlechten, mnl. vlechten, ohd. flëhtan (nhd. flechten), os. flëhtan (alle sterk), on. flêtta (zwak) “vlechten”. Met ablaut got. flahta (of –o?) v. “vlecht”. Van de idg. basis pleḱ-, waarvan ook lat. plecto “ik vlecht”, plico (met i naar de samenstt.) “ik vouw”, gr. plékō “ik vlecht”, plókos, plokhmós, plókamos “lok, vlecht”, obg. pletą (analogisch gevormd naast *plestą, naar metą: mesti e.dgl., tenzij we pleq- naast pleḱ — moeten aannemen), plésti “vlechten”, oi. praçna- “vlechtwerk, gevlochten mand”. De -t- was oorspr. praesens-vormend. Als ’t znw. vlecht, germ. *fleχtô(n)- (-an-) een oud woord is, is ̓t een deelwoordformatie van pleḱ- en identisch met gr. plektḗ “touw, net”. De basis pleḱ- is wsch. een verlenging van pel- (zie vouwen). Vgl. ook bij vlas en vlak I, aan ’t eind. — vlecht (een soort huiduitslag), door Kil. “vetus” genoemd, ook nhd. mnd. = vlecht “haarvlecht”, en op te vatten als “huiduitslag die als een vlechtwerk zich vertakt”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlechten o.w., Mnl. id., Os. flehtan + Ohd. id. (Mhd. vlechten, Nhd. flechten), On. flétta (Zw. fläta, De. flette) + Lat. plectere, Osl. plesti; zonder -t-suffix Gr. plékein = vlechten, Lat. plicare = vouwen; met -n- suffix Skr. praçnas = korf: Idg. wrt. plek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vleg ww.
1. Toue, lyne, hare, drade, ens. oor- en deurmekaar slaan volgens 'n vaste patroon. 2. Tussenin voeg, daarin te pas bring. 3. Kronkelend beweeg.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. vlechten (al Mnl. in bet. 1, 1758 in bet. 2). Bet. 3 is 'n leenbetekenis van Eng. weave (1650).
D. flechten (9de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlechten, van den Germ. wt. fleht; zie Vlas.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlechten ‘(lange, buigzame voorwerpen) kruiselings over en door elkaar slaan’ -> Papiaments flèktu (ouder: vlegte, vlechte) ‘(lange, buigzame voorwerpen) kruiselings over en door elkaar slaan’; Sranantongo frekti ‘(lange, buigzame voorwerpen) kruiselings over en door elkaar slaan’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut