Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlag - (vaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlag zn. ‘stuk doek als onderscheidingsteken’
Vnnl. vlagghe ‘vlag op een schip’ in De voornoemde Admirael zal voeren de vlagghe op de stenghe van den grooten mast [1557; iWNT], vlagghe ‘id.’ [1588; Kil.], vlagh ‘id.’ [1595; WNT verkleinen]; nnl. alwaar men ... de vlagge van den Nederlandsen staat geplant ... heeft [1766; iWNT].
Misschien ontleend aan Vroegnieuwengels flagge ‘vlag, banier van een legereenheid’ [1530; OED], Middelengels flagges ‘vaandels’ [ca. 1481; OED] (Nieuwengels flag). De verdere herkomst is onzeker. Mogelijk een klankexpressief woord, zie Hoptman (2000) en andere woorden als → flabberen, → fladderen en → flakkeren, alle met een grondbetekenis ‘heen- en weergaan’.
Evenzo ontleend, al dan niet via het Nederlands en/of het Nederduits, zijn: nnd. flagg(e); vnhd. flagge (nhd. Flagge); nfri. flagge, flage; nde. flag, nzw. flagg(a), alle met oudste vindplaatsen uit het eind van de 16e of het begin van de 17e eeuw.
Het woord vlag behoort van oudsher in de eerste plaats tot de scheepvaart. In het leger sprak men meestal van → vaandel. Pas vanaf het einde van de 18e eeuw, met de opkomst van het (staats)nationalisme, wordt het woord ook meer en meer gebruikt in kringen buiten de scheepvaart.
Lit.: Hoptman 2000

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlag1* [vaan] {vlagge 1415} nederduits, hoogduits Flagge, engels flag, oudnoors flǫgra [fladderen]; etymologie onzeker, mogelijk in verder verband met vlaag.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlag znw. v., eerst sedert Kiliaen. Het eerst treedt het woord in Engeland op: flagge (1480) en breidt zich vandaar uit naar het vasteland: nde. flag (1569), nzw. flagg(a) (1605), nhd. flagge (1609); uit het nl. russ. flag (sedert begin 18de eeuw, vgl. R. v. d. Meulen Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 102). — Het woord is te verbinden met ohd. flagarōn ‘rondvliegen’, on. flǫgra ‘fladderen’, waarnaast flǫkra ‘rondzwerven, fladderen’ (vgl. flakkeren). — Zie verder: fladderen en vlaag.

Het opkomen van dit woord in Engeland zal niet toevallig zijn; reeds de Normandiërs voerden vlaggen aan de mast (vgl. het tapijt van Bayeux) en wij weten, dat de vikingen banieren in de strijd meevoerden. — Er is nog een homoniem mnl. vlagghe ‘zode, plag’, maar zie daarvoor: vlak 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlag znw., sedert Kil. Ook ndd. fri. en door ontl. nhd. (flagge v.). eng. (flag), de. (flag), zw. (flagg(a)); echter kan het feit, dat ’t woord in ’t Eng. ’t eerst voorkomt (± 1490), ons doen vermoeden, dat de oorsprong in Engeland te zoeken is. In dat geval is de etymologie onzeker; anders sluit ’t zich aan bij Kil. vlaggheren (flaggheren “vetus”) “flaccere, laxari: et Volitare”, ohd. flagarôn “zich heen en weer bewegen”, on. flǫgra “dwarrelen, door de lucht jagen” (intr.). Wellicht was de oorspr. bet. “slaan”; dan wsch. bij de bij vlaag besproken woordgroep; hierbij wsch. ook Kemp. vlag v., N.Brab. vlag m. “afgehakte zode, plag”. Vgl. vooral flikkeren. De speciale aanwending der boven geciteerde woorden voor een slappe, niet energieke beweging kan een gevolg zijn van de iteratieve bet. “in slaande beweging zijn”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlag. Kemp. vlag v., N.Brab. vlag m. ‘plag’, reeds in de 16e eeuw (limb.) vlagghe (v.?) ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlag 1 v. (vaan), + Ndd., Hgd. flagge, Eng. flag, De. id., Zw. flagg: niet verder na te gaan.

vlag 2 v. (plant), hetz. als vlag 1, wegens den vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vlag s.nw.
1. Stuk doek, gewoonlik reghoekig en met kleurvolle ontwerp daarop, wat aan 'n paal gehys word as simbool van 'n land, vereniging, ens. 2. Iets wat soos 'n vlag (vlag 1) lyk.
Uit Ndl. vlag (1557 in bet. 1, 1771 in bet. 2).
D. Flagge (17de eeu), Eng. flag (1481 - 1490).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlag ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ -> Duits Flagge ‘stuk doek als onderscheidingsteken’;? Deens flag ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors flagg ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds flagga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins † flagu ‘stuk doek als onderscheidingsteken; signaalvlag’ ; Pools flaga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ (uit Nederlands of Duits); Russisch flág ‘stuk doek als onderscheidingsteken; (sovjettaal) symbool, teken’; Wit-Russisch flag ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ ; Ewe aflágà ‘stuk doek als onderscheidingsteken’; Gã aflanga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’; Twi afrangkǝ ‘stuk doek als onderscheidingsteken’; Noord-Sotho folaga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ ; Tswana folaga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ ; Zoeloe fulagi ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ ; Zuid-Sotho folaga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ ; Boeginees palâkæ ‘stuk doek als onderscheidingsteken’; Japans † furafu ‘stuk doek als onderscheidingsteken’; Negerhollands flag ‘stuk doel als onderscheidingsteken’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo fraga ‘stuk doek als onderscheidingsteken’; Saramakkaans faáka ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ ; Arowaks flagra ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

vlag. Nederlandse leenwoorden kunnen de communicatie met Russen onverwacht eenvoudig maken. Een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken vertelt: 'Toen ik ooit met mijn beperkte kennis van het Russisch zocht naar het Russische woord voor vlaggenstok, schoot men mij te hulp met de suggestie of ik wellicht flagštok bedoelde.' Flagštok gaat terug op het Nederlandse vlagstok, vlaggestok, sinds 1995 gespeld als vlaggenstok, met een tussen-n, waardoor de afstand tussen het Russische en het Nederlandse woord groter is geworden. Vroeger waren in het Russisch ook bekend de bramflagštok en de grotflagštok 'de grote vlaggenstok' ofwel de vlaggenstok van de grote mast. Alle genoemde woorden dateren uit de tijd van Peter de Grote. In die periode is tevens flag 'vlag' geleend. De Nederlandse invloed ging verder dan het uitlenen van het woord vlag; de slavist Van der Meulen merkt namelijk op: 'Het is bekend, dat de kleuren der Russische handelsvlag de Hollandsche zijn, alleen in andere volgorde: wit, blauw, rood.' Ook de Nederlandse woorden vlagdoek en vlagman zijn door het Russisch overgenomen als flagduk (zie doek) en flagman 'aanvoerder van een eskader of smaldeel met zijn eigen vlag'.

Het Nederlandse woord vlag is tot slot ook geleend door het Japans als furafu; tegenwoordig is dit woord echter verouderd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlag* stuk doek als onderscheidingsteken 1415 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2420. De vlag dekt de lading,

d.i. in eigenlijken zin: de koopvaaardijschepen varende onder onzijdige vlag worden door de oorlogvoerende partijen geëerbiedigd. Daar hiervan dikwijls misbruik gemaakt werd om contrabande binnen te smokkelen, wordt de uitdrukking in figuurlijken zin gebezigd, wanneer iets leelijks onder een fraaien naam voor wat goeds moet doorgaan of het een of ander slecht product gedekt door een goed bekend staanden naam in den handel gebracht wordt; Harreb. II, 3 a; Van Lennep, 246; afrik. die vlag dek die lading; fr. le pavillon couvre la marchandise; hd. die Flagge deckt die Ladung; eng. the flag covers the cargo; free flag makes free bottom.

2421. De vlag strijken,

d.i. onderdoen voor iemand; ook: doodgaanNavorscher, XXII, 635; vgl. Smetius, 191: het vaentje strijcken, mori.; eig. de vlag laten zakkenVgl. Kiliaen: strijcken, remittere, relaxare, deponere; Hooft, Ned. Hist. 723: den moedt strycken; Schuermans, 692; De Bo, 1115: strijken, iets dat recht staat nederlaten, platleggen. ten bewijze van overgave; syn. van het zeil strijken; vgl. Com. Vet. Woordenl.: Stryken de vlag, de vlag innemen: 't gene geschiet, alsmen op zee voorby eenen Admirael vaert ten blyke van eerbiedenis: als mede wanneer men slaegs zijnde, en zigh te zwak bevindende, 't schip aen den vyant overgeeft. Ook was in de 17de eeuw gewoon de vlag inhalen (zie Pers, 153 a); - afleggen (Pamfl. Muller, 508 (anno 1603), 5 r; 509 (anno 1603), 4 r); later ook iemand of iets de vlag afstrijken, iemand of iets in eenig opzicht het meesterschap afwinnen, te boven gaan, overtreffen (Ndl. Wdb. I, 1606); zie verder Vondel, IX, bl. 622: Zy raedtze op 't hoogh gebodt de vlagh en 't zeil te strijken. Men kan het noodlot van Jupijn niet wederstaen; Adam in Ballingschap, 1040; Virg. I, 33; Maria Stuart, 734; Gebroeders (ed. 1650), bl. 59; Salomon, 397; Van Lummel, 419; Overbeke, 95; Kale U. Edelm. II, 205; Van Effen, Spect. X, 58; Boere-krakeel, 102; C. Wildsch. III, 181; Sewel, 621; Halma, 732: De vlag strijken, céder, mettre pavillon bas. Daarnaast in denzelfden zin (het) strijken bij Vondel, Lucifer, vs. 1904; vs. 1501 (den standert strycken); Huygens, Hofwijck, vs. 1690; Spaan, 140: We voerde de vlagge zoodanig, dat het al voor ons moest stryken; Tuinman I, 145; Harrebomée II, 387 a; Van Eijk I, 133; Van Lennep, 246; vgl. verder het Latijn vela contrahere; fr. baisser -, mettre le pavillon bas devant qqn, reconnaître son infériorité; hd. die Flagge, die Segel streichen; eng. to lower or strike one's flag; to strike one's colours; oostfri. de flagge strîken; Schuermans, 692: de vlag strijken, voor iemand wijken.

2422. De vlag voeren,

d.i. de eerste, de baas zijn; ook: veel drukte maken, opsnijden, het hoogste woord voeren, de groote vlag voeren, eene zeemansuitdrukking, die eig. wil zeggen de standaardvlag in top voeren, de aanvoerder zijn; vgl. Com. Vet. Woordenl.: De vlag voeren, de opperste in de vloot zijn; dogh oneigentlijk, zwetzen en 't hoogste woordt voeren; Winschooten, 336: De vlag voeren het welk beteekend de opperste zijn, gelijk ook, de grootste vlag voeren: oneigendlijk werd daar door te kennen gegeven, dat iemand het meeste swetst, en het hoogste woord voerd; zie verder Anna Bijns, Refr. 59, waar de syn. uitdr. de vanen uutsteken en Nw. Refr. 78: de vane draeghen voorkomt; Spieghel, 64, vs. 418: Zwijght, praalzot, tegens u voert wijzer haan de vlagge; Com. Vet. 4; Lichte Wigger, 13 v: de hoogste vlag voeren; Huygens I, 178: al de vlaggens voeren; Coster, 37, vs. 824; 520, vs. 762; Gew. Weuw. II, 25: 'k Mag de vlag nu niet meer voeren, maar 'k moet ze gedwongen strijken; Spaan, 194; kantt. op Ezech. 35 vs. 30: Veel gesnaters en gesnaps, gelijck wanneer yemant (alsmen seyt) de vlagge voert; Rusting, 105; Tuinman I, 289; 145: 't Is een vlaggeman, dat is, hy is een hoofd en voorganger, als die ter zee de gebiedsvlag voeren; anders zegt men ook hy voert de vlag; Halma, 732: Hij wil overal de vlag voeren, overal wil hij de baas speelen; Janus, 224: Een vlagvoerend voorstander van eenige der twistende partijen van het Vaderland; Van Eijk I, 145-146; Harreb. II, 387 bIn W. Leevend I, 228: vlaggen en wimpels voeren..

2423. Een vlag op een modderschuit,

d.i. iets, dat in het geheel niet bij elkander past, iets moois op iets leelijks; in den regel gebruikt van kwalijk voegenden opschik. Vgl. het mnl. met samite (fluweel) mes (mest) cleeden; Marnix, Byenc. 145 r: dat past als een sijden huyve op een verckens hooft; Winschooten, 336: Dat pronkt, als een vlag op een vullis schuit (te weeten pronkt), het welk een manier van spreeken is, als men met iemand wil spotten, die soodaanig gekleed is, dat het een naa het ander niet en gelijkt; Sewel, 896; Tuinman I, 368; Gew. Weuw. III, 60: Dat zal staan als een zye vlag op een Strontschuit (dat zal er leelijk beginnen uit te zien); Sart. I, 1, 25: een gouden deur aen een verkens kot; in den Bijbel Spr. XI, 22: eene schoone vrouw die van reden afwijckt, is een gouden bagge (ring) in een verckens snuyteHarreb. I, 252; Zeeman, 424.; Het spoockend Weeuwtje, 49 (anno 1713): gelyk een' zyde vlag staat op een vullisschuit; Halma, 252: dat staat als een kakhuis over het water; Tuinman I, 256: de koe heeft een fluweele huif op (vgl. R. Visscher, Sinnep. 172 a: de koe een gouden huif opsetten); Kluchtspel III, 307: dat steekt af als een Princevlag op een vullisschuit; Harreb. I, 375 a: dat staat als een kornetje op een kalfskop; Molema, 272 b: dat past as 'n oranjevlag op 'n miswoagen; 148 b: het lijkt (voegt, past, staat) als een himphamp op een mosterdmolen, als een klink op een kraaiennest; fri.: dat is in baerch (varken) mei in gouden earizer; dat parearret (pareert) as in flagge op 'e dongskûte (dongwein, modderpream, strontpraem).

2424. Met vlag en wimpel,

in de uitdrukking iets met vlag en wimpel winnen, d.i. glansrijk winnen; eig. met behoud van vlag en wimpel. Zie Van Eijk I, 146; Van Lennep, 246. Ook in vrijer gebruik, waar sprake is van voorstellen in eene vergadering en examens; vgl. Nw. School III, 292: Hij zou d'r óók door (een examen) - en niet op het kantje - maar met vlag en wimpel; Het Volk, 25 April 1914 p. 1 k. 3: Welnu, de opcenten gingen er met vlag en wimpel door; De Vrijheid, 2 Maart 1924 1ste bl. p. 3 k. 1: Als de hoofdzaak nu met vlag en wimpel keldert; A. Kuyper, Wat moeten wij doen, bl. 22: Ge haalt de verfoeilijke knoeierijen der politieke verkiezingen met vlag en wimpel onze kerk binnen; fri. mei flagge en wimpel; fr. réussir à pleines voiles; eng. to come off with flying colours, overwinnen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut