Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlaak - (zandplaat)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlaak* [zandbank, horde] {vlake [vlakte, zeevlak, door water bespoeld kustland, horde] 1323} van vlak1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlaak 1 znw. o. ‘zandbank, plaat’, mnl., vlāke v. ‘vlakte’, os. flaka v. ‘voetzool’, oostfri. flake, nde. flage ‘ijsschots’, on. flaka ‘openstaan’, nijsl. flaka ‘zich openen’. — Zie verder: vlak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlak I znw. o. Het reeds mnl. mnd. en ook fri. als znw. voorkomende o. van het bnw. vlak, mnl. vlac (gen. vlākes) “vlak, plat, dun” = ohd. flah (hh; nhd. flach), mnd. vlak (gen. vlākes) “vlak, glad”; noorw. dial. het znw. flak o. “schijf, schots”. Verder hierbij ndl. vlaak o. “zandbank, plaat”, mnl. vlāke v. “vlakte”, os. flaka v. “voetzool”, oostfri. flake, de. flage “ijsschots” en on. flaka “zich openen, zich uitbreiden”. Met ablaut ags. flôc m., on. flôki m. “een soort platte visch”. Met gr. pélagos “zeevlakte” van een basis pelâxg-, een verlenging van de bij vlade, vloer besproken basis pelâ-, -ê-. Als de oorspr. bet. van deze basis “plat neerslaan” is, is zij met pelâx- “slaan” identisch, waarvan lit. plóti “slaan, klappen” en de bases p(e)lā̆xq-, p(e)lā̆xg- “id.” (zie vlaag). Van een idg. p(e)lā̆x-q- “plat zijn” komen misschien mnd. vlāge, on. flaga v. “aardlaag”, verder gr. pláx, plakós “plat, breed voorwerp”, lett. plaku, plakam bijw. “vlak, plat op den grond”. Ook mnl. vlāke v., Kil. vlaeck (“Fris.”) “hor, gevlochten voorwerp”, ndl. vlaak “losse houten vloer”, mnd. vlāke v. “vlechtwerk, klein net”, on. flaki, fleki m. “houten schutting”, die niet te scheiden zijn van lat. plaga “net, landstreek”, worden gew. hierbij gebracht; veeleer echter moeten ze om de bet. van idg. ple-ĝ-, een wortelvariant van ple-ḱ- (zie vlechten) worden afgeleid, niettegenstaande de ă van lat. plaga.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlak I znw. Bij mnd. vlāge, on. flaga ‘aardlaag’ met abl. en gramm. wisseling wsch. nog ohd. fluoh v. ‘rots(wand)’ (nhd. fluh), ags. flôh v. ‘stuk steen’, on. flô v. ‘aardlaag’. (Slot). Mnl. vlāke (of vlāken? W.de Vries Tschr. 43, 133) is m. Nnl. vlaak = ‘tenen horde, waarop men wol klopt’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlaak 1 o. (zandbank), Mnl. vlake, Os. flake + Eng. flake, De. flage, Zw. flaga: behoort bij vlak 2.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut