Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlaag - (rukwind; opwelling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vlaag zn. ‘rukwind; opwelling’
Mnl. vlaghe ‘plotselinge en hevige windstoot, bui of opgezweepte golf’ in also als grote vlaghen jnder ze ‘zoals grote golven in de zee’ [1276-1300; VMNW], tote dat risen die vlaghen ‘totdat de windvlagen opkomen’ [1287; VMNW], als oft wintvlaghen waren ‘alsof het windvlagen waren’ [1287; VMNW wintvlaghe], overdrachtelijk m.b.t. het gemoed ‘opwelling’ in die vlaghen ‘opwellingen (van vreugde)’ [ca. 1400; MNW], vlaech [1470-90; MNW-R]; vnnl. bij vlagen ‘zoals opwellingen, met tussenpozen’ [1573; Thes.].
Mnd. vlage ‘plotselinge windstoot of bui’ (volgens Schiller/Lübben pas nnd.); nfri. fleach ‘id.’; vne. flaw ‘id.’; on. flaga ‘plotseling aanval’; ozw. vaederflagha ‘windvlaag’ (nno. dial. flaga); < pgm. *flagōn-.
Afleiding met grammatische wisseling van de wortel pie. *pleh2k- ‘slaan’ (LIV 485), variant van *pleh2g-, zie → vloeken en → plaag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlaag* [plotselinge windstoot, opwelling] {vlage, vlaech [windstoot, opwelling] 1287} deens, noors flage, zweeds flaga; ablautend naast vloeken, vgl. ook plaag en de daar vermelde woorden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlaag znw. v., mnl. vlâghe ‘vlaag, bui, slag, aanval, blik’, mnd. vlāge v. ‘vlaag, rukwind, bui, aanval, menigte’, staat abl. naast on. flǎga ‘plotselinge aanval’, ne. flaw ‘rukwind’, vgl. ook on. flakka ‘fladderen, rondzwerven’, flengja ‘ranselen’, on. flōki ‘gevold vilt’. — gr. plḗssō (< *plākiō) ‘slaan’, plēgḗ ‘slag’, lat. plāga ‘slag, wond’, plango ‘slaan, de handen op de borst slaan, luid klagen’, miers lēn (< *plakno-) ‘leed, wonde’, lit. plakù, plàkti ‘slaan, tuchtigen’, osl. plačą, plakati ‘zich op de borst slaan, weeklagen’, van idg. wt. *plāk : plāg ‘slaan’ (IEW 832). — zie: vloek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlaag znw., mnl. vlâghe v. “vlaag, bui, slag, aanval, blik”. = mnd. vlâge v. “vlaag, rukwind, bui, aanval, menigte”. Met â blijkens achterh. westf. vlågə. Met ablaut on. flaga v. “plotselinge aanval”, eng. flaw “windvlaag, rumoer, barst”. Zie ook vlag. Van de idg. basis plē̌q-, plā̆q-, waarvan ook gr. plēssō “ik sla”, lit. plakù, plàkti “slaan, tuchtigen”, plėkiu, plėkti “ranselen”, obg. plačḁ, plakati “weenen, klagen” (oorspr. “door zich te slaan rouw bedrijven”), misschien ook ier. lên (*plaq-no-) “weeklacht, weemoed”. Hiernaast een synonieme basis plē̌g-, plā̆g-, waarvan o.a. lat. plango “ik sla, sla de hand op de borst, bedrijf rouw”, plâga, gr. plēgē, dor. plāgā́ “slag”, gr. plag-, plēg “slaan”, lit. plėgà “slaag”, misschien ook ier. lêssaim “ik sla hevig” < *plaŋg-sô. Voor germ. afll. van deze basis vgl. vlek, vloeken, ook vlak I. Vgl. vooral ook flikkeren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlaag. Hierbij wsch. ook met germ. a mnl. vlegghe v. ‘spleet, scheur; gebrek’. Ook wvla. vlei ‘dorsvlegel’? Zie echter bij vlegel Suppl. 2e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlaag v., Mnl. vlaghe + Mhd. vlâge, On. flaga, Eng. flaw, met abl. bij den wortel van vloeken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vlaag s.nw.
1. Bui reën, dikw. deur die wind aangedryf. 2. Opwelling van 'n gemoedsaandoening.
Uit Ndl. vlaag (Mnl. vlaghe, vlaech).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlaag ‘plotselinge windstoot’ -> Engels flaw ‘windstoot’; Schots † flaw ‘windvlaag, vooral een die regen brengt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlaag* plotselinge windstoot 1287 [CG NatBl]

vlaag* opwelling 1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut