Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

viswijf - (scheldwoord)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

viswyf s.nw. (skeltaal)
Vrou wat baie skel en vuil taal gebruik.
Uit Ndl. viswijf (ongeveer 1620), oorspr. 'vrou wat vis verkoop'.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

viswijf: onbeschaafde, ordinaire vrouw die veel schreeuwt. Eigenlijk ‘vrouw die handel in vis drijft’. Dergelijke verkoopsters zijn vaak onbeschaafd en grofgebekt. Vandaar uitdrukkingen zoals: kijven (schelden) als een viswijf.

Zooveel als hare collega’s in Frankrijk hadden de Hollandsche, speciaal de Amsterdamsche vischvrouwen nu wel niet in de melk te brokkelen, maar toch liet een rechtgeaard Amsterdamsen ‘vis-wijf’ zich de kaas niet van haar brood eten. (De Groene Amsterdammer, 20/12/1914)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut