Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

visse - (bunzing)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

visse, fis, fits [bunzing] {visse 1375, fitsau 1287, fits 1658} via noord-fr. < latijn vissio [wezel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

visse znw. v. (zuidnl.) ‘bunzing’, mnl. visse, fisse, fitsau, fissau (wvla. fitsjouw, visse, antw. fis), ne. fitchet, fitchew < pikard. ficheu, fiseu < lat. vissio ‘wezel’, eig. ‘stank’ (> fra. voison), oerverwant met wezel. — Uit de vorm bij Kiliaen vitsche kan ontleend zijn ne. fitch (sedert 1502) nu ‘poolkat’ (vgl. Bense 96).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fits v., Mnl. fitsau, gelijk Eng. fitchew, uit Ofra. fichau, dat teruggaat op een Germ. afleid. van denz. wortel als veest, wegens den stank.

visse v., Mnl. visse, bij vies en veest; hieruit Fr. ficchau, van waar Mnl. vitsau en Eng. fitchew.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

fis, vis, vies, zn.: bunzing, fret, Putorius foetidus. Ook Brabants en Ovl. visse, fisse. Mnl. fitsau, fissau, fisse, visse ‘bunzing’, Vnnl. 1562 visse ‘une beste semblable à une fine mais elle put’ (Lambrecht), 1599 visse, fisse, vitsche ‘ putorius’ (Kiliaan). Vgl. Wvl. fisjauw, fisauw < Mfr. fissau < Ofr. fissel, dim. van fisse, visse < Lat. vissio ‘stank, wezel’. – Bibl. : J.L. Pauwels, De bunzing in de Zuidnederlandsche dialecten. Leuvense Bijdragen 23 (1931), 1-20.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

fis, vis, zn.: bunzing, fret, Putorius foetidus; magere, spichtige persoon; kreng (van een wijf). Ook Ovl. visse, fisse. Mnl. fitsau, fissau, fisse, visse ‘bunzing’, Vnnl. 1562 visse ‘une beste semblable à une fine mais elle put’ (Lambrecht), 1599 visse, fisse, vitsche ‘ putorius’ (Kiliaan). Vgl. Wvl. fisjauw, fisauw < Mfr. fissau < Ofr. fissel, dim. van fisse, visse < Lat. vissio ‘stank, wezel’. – Bibl. : J.L. Pauwels, De bunzing in de Zuidnederlandsche dialecten. Leuvense Bijdragen 23 (1931), 1-20. J. Goossens, TT 1981, 153-156.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

visse, vusse zn. v.: bunzing, fret, Putorius foetidus. Vusse door klinkerronding na v. Mnl. fitsau, fissau, fisse, visse ‘bunzing’, Vnnl. 1562 visse ‘une beste semblable à une fine mais elle put’ (Lambrecht), 1599 visse, fisse, vitsche ‘ putorius’ (Kiliaan). Vgl. Wvl. fisjauw, fisauw < Mfr. fissau < Ofr. fissel, dim. van fisse, visse < Lat. vissio ‘stank, wezel’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

visse (E, G, L, R, ZO, ZV), fisse (ZO), zn. v.: bunzing, fret, putorius foetidus, wezel (G, ZO); (overdr.) venijnige vrouw (G). Mnl. fitsau, fissau, fisse, visse 'bunzing', Vnnl. 1562 visse 'une beste semblable à une fine mais elle put' (Lambrecht), 1599 visse, fisse, vitsche ' putorius' (Kiliaan). Vgl. Wvl. fisjauw, fisauw < Mfr. fissau < Ofr. fissel, dim. van fisse, visse < Lat. vissio 'stank, wezel'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

fis, vis, visse, vesse bunzing (Brabant, Limburg, Oost-Vlaanderen). Evenals fes, fös in westelijk Moezelfrankisch wschl. « lat. vissio ‘stank, wezel’ (~ lat. vissīre ‘veesten’), hoewel dan als woordbegin eerder w te verwachten was. Mogelijk dus contaminatie met veesten.
FS I, Krt. 3 + blz. 18-54, LB LXXII, 437-457 (geeft andere etymologie).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

visse, zn. v.: fis, bunzing. Mnl. visse, Vroegnnl. visse ‘une beste semblable à une fine mais elle put’ (Lambrecht), visse, fisse, vitsche ‘putorius, mustelae genus valde putidum’ (Kiliaan). Uit Lat. vissio ‘wezel, stank’. Zie ook fisjauw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

visse ‘(gewestelijk) bunzing’ -> Engels fitch ‘bunzing(pels); borstel, penseel (van bunzinghaar)’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut