Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

visiteren - (onderzoeken, inspecteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

visiteren ww. ‘onderzoeken, inspecteren’
Mnl. visiteren ‘bezoeken’, als ujsitiren [1240; Bern.], in Daer men mi dikke binnen plach Te uisiterne ‘waarin men mij dikwijls een bezoek placht te brengen’ [1265-70; VMNW]; vnnl. ‘inspecteren, onderzoeken, doorzoeken’ in ommedat hy commen zoude visenteren twerck van den nyeuwen toren ‘omdat hij het werk aan de nieuwe kerk zou komen inspecteren’ [1507; WNT], visiteren ... de Huysen van alle Boeckvercoopers [1569; iWNT].
Ontleend aan Frans visiter ‘opzoeken, bezoeken’ [950-1000; TLF], ontwikkeld uit Latijn vīsitāre ‘bezoeken’, zie → visite.
visitatie zn. ‘onderzoek’. Mnl. visitacie, visentatie ‘bezoek; verschijning (van God)’ in den tijt van dire usitacien ‘het moment van deze verschijning’ [1291-1300; VMNW], Dat ic u mach doen visentatie ‘dat ik u een bezoek mag brengen’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. visitatie ook ‘inspectiebezoek, onderzoek’ in visitatie vanden ... clooster [1541; WNT], “schauwinghe” [1553; Van den Werve]. Ontleend aan Frans visitation ‘inspectiebezoek’ [13e eeuw; TLF], eerder ‘bezoek’ [ca. 1200; TLF], ontleend aan Latijn vīsitātiō ‘verschijning; bezoek; inspectie’, afleiding van vīsitāre.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

visiteren [bezoeken, onderzoeken] {1201-1250 in beide betekenissen} < frans visiter [idem] (vgl. visite).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

visiteeren ww. Uit fr. visiter ndl. bij Kil. en mnl. ook = “bezoeken”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

visenteer ww.
Deursoek, ondersoek, inspekteer.
Uit gewestelike Ndl. visenteeren (al Mnl.), veral bekend in S.Nederland, die gewestelike wisselvorm van Ndl. visiteeren (al Mnl.).
Ndl. visiteeren uit Fr. visiter uit Latyn visitare 'besoek, inspekteer'.
D. visitieren (17de eeu), Eng. visit (12de eeu), It. visitare, Port. visitar, Sp. visitar.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

visite’ren (visiteerde, heeft gevisiteerd), bezoeken, een visite brengen aan. Nu naar post Sommelsdijk, klonk het. Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om dien post te visiteren en van daar de reis naar ons effect* verder te vervolgen (van Schaick 1866: 125; oudste vindpl.). - Etym.: In AN in deze bet. veroud., thans ’onderzoeken op smokkelwaar’. Vgl. E visitation = bezoek.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

visenteer: ondersoek (bv. huissoeking instel); met epent. -n- uit Ndl. visite(e)ren (so in Mnl. en by Kil), “besoek”, bet. tans ook soms soos in Afr., via Fr. visiter uit Lat. visitare, “besoek”; by vRieb visiteren soos in Afr.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

visiteren ‘bezoeken, onderzoeken’ -> Creools-Portugees (Batavia) bijënteer ‘bezoeken, onderzoeken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

visiteren bezoeken, onderzoeken 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut