Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

visie - (kijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

visie zn. ‘kijk’
Vnnl. visie ‘droomverschijning, visioen’ in die in een visie sunderlike sach dat ... ‘die in een bijzonder visioen zag, dat ...’ [1276-1300; VMNW]; vnnl. visie ‘het inzien, inzage’ in visie ende copie vanden documenten [1535; Stall. III, 616], sij versouckt visie vanden last ‘zij vraagt om inzage van het bevelschrift’ [1597; WNT]; nnl. ‘wijze van zien, kijk (van een kunstenaar, expert e.d.)’ in met zijn eigen visie van de werkelijkheid [1891; Gids].
Ontleend aan Latijn vīsiō ‘het zien; droomverschijning’, afleiding van de wortel van vidēre ‘zien’, dat verwant is met → weten.
In het Middelnederlands was het woord min of meer synoniem met het via het Frans op hetzelfde Latijnse woord teruggaande → visioen. In deze betekenis is het nu reeds lang verouderd. De betekenis ‘het (in)zien’ werd in het Vroegnieuwnederlands opnieuw ontleend en was in de 19e eeuw nog heel gewoon in uitdrukkingen als ter visie leggen, liggen, enz., maar is tegenwoordig ook verouderd; men spreekt meestal van → inzage. Hoe de huidige, pas in de 19e eeuw geattesteerde betekenis ontstaan is, is onduidelijk. Deze is nauwelijks te verklaren uit de ambtelijke betekenis ‘het inzien’ en lijkt dus te zijn ontleend, mogelijk aan Duits Vision ‘visioen; visie’.
Andere leenwoorden die direct of via andere talen teruggaan op hetzelfde Latijnse werkwoord vidēre of afleidingen ervan, zijn → video-, → visite, → visueel, → visum, en → evident, → improviseren, → interview, → provisie, → revisie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

visie [kijk] {1276-1300} < latijn visio [het zien, voorstelling, idee], van vidēre (verl. deelw. visum) [zien] (vgl. visibel, visioen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

visie znw. v. < lat. visio, eerst mnl. in de bet. ‘visioen’, nnl. nogmaals in de bet. ‘wijze van zien, kijk op’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

visioen znw. o., mnl. visioen o. “visioen, verschijning”. Van fr. vision (> lat. vîsio). Ook elders ontleend. Het lat. woord is twee maal als visie (eerst later-nnl. in de bet. van nu; mnl. = “visioen”) ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

visie s.nw.
1. Siening, insig. 2. Ideaal waarna gestreef word.
In bet. 1 uit Ndl. visie (1902) 'besondere siening van 'n beeldende kunstenaar'. In bet. 2 uit Eng. vision (1904).
Ndl. visie en Eng. vision gaan albei terug op Latyn visio 'die sien, voorstelling, idee'.
D. Vision (14de eeu), Fr. vision (12de eeu).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Waar visie ontbreekt komt het volk om of verwildert het volk, als de politiek geen visie toont, gaat het volk ten onder, raakt in verwarring.

Deze uitdrukking is bekend in de formulering uit 1973 van de socialistische politicus Joop den Uyl. Hij heeft die niet aan een bestaande Nederlandse bijbelvertaling ontleend, zoals Jaap Engelsman in zijn citatenverzameling (2004) uitlegt, maar ze is waarschijnlijk op het Engels geënt waar de uitdrukking ook gebruikt wordt. Men vindt de desbetreffende bijbelpassage in het eerste deel van twee verzen in Spreuken, die in de NBV luiden: ' Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder (Spreuken 11:14), en ' Zonder profetie vervalt het volk tot bandeloosheid' (Spreuken 29:18). Opvallend is, dat het gebruik van het woord visie (trouwens de enige plaats waar de NBV visie gebruikt) in het eerste vers in de NBV nieuw is ten opzichte van de (meeste?) eerdere vertalingen. Mogelijk heeft Den Uyl hieraan een bijdrage geleverd − zijn oproep aan de Nederlandse politiek mag misschien nog geen weerklank hebben gevonden, hij is in bijna dezelfde vorm wel de nieuwste bijbelvertaling te lezen.

'Waar visie ontbreekt, komt het volk om'. Uitgave verschenen ter gelegenheid van het terugtreden van Stan Poppe als voorzitter van de Vakbondshistorische Vereniging op 25 april 1998.
Kern: de manager coacht d.m.v. visie! [...] Want 'als visie ontbreekt, verwildert het volk'. Derhalve is uw visie uw belangrijkste investering! (http://www.mymanager.nl/Artikel006/, actief 17-8-2005).

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

visie (Latijn visio)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

visie ‘kijk’ -> Fries fisy, fyzje ‘kijk’; Indonesisch visi ‘kijk; observatie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

visie kijk 1276-1300 [CG Lut.A] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut