Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

virtuoos - (meester in iets), (meesterlijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

virtuoos zn. ‘meester in iets’, bn. ‘meesterlijk’
Vnnl. virtuoos (zn.) ‘kunstminnaar’ [1694; WNT]; nnl. ‘groot kunstenaar’ in De virtuoos moet alle middelen, die hem daar toe leiden, bij de hand vatten [1778; Riedel], ‘meester in iets’ in Dat gij geen Virtuoos in het geduld zijt, weet ik reeds lang [1805; Von Kotzebue], ‘briljant musicus’ in In het jaar 1802 ... wierd de uitmuntende klavicinist ... tot direkteur ... verkozen; ... het grootste gedeelte der leden ... pryst ... den bekwamen, ja uitmuntenden virtuoos [1805; Haug], (bn.) ‘meesterlijk’ [1899; WNT].
Zowel Frans virtuose ‘begaafd persoon’ [1649; TLF] als Italiaans virtuoso ‘meester in iets’ [1525; TLF] hebben aan de basis gestaan van virtuoos. Frans virtuose is ontleend aan het Italiaans virtuoso ‘deugdzaam’, het bn. bij virtù ‘deugd’, dat ontleend is aan Latijn virtus ‘uitnemendheid’, zie → virtueel. In de betekenis ‘meesterlijk’ is het in de 19e eeuw ontleend aan Duits virtuos ‘id.’.
Lit.: F.J. Riedel (1778, vertaling), Theorie der schoone kunsten en wetenschappen, Utrecht, 134; A. von Kotzebue (1805, vertaling), De pagiestreeken, kluchtig blijspel, in vijf bedrijven, Amsterdam, 66; C.F. Haug (1805, vertaling), Brieven uit Amsteldam over het Nationaal Tooneel en de Nederlandsche Letterkunde, Amsterdam, 144-145

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

virtuoos [uitblinker] {1694} < frans virtuose < italiaans virtuoso [idem] < middeleeuws latijn virtuosus [deugdzaam, dapper, krachtig], van virtus [deugd, moed, voortreffelijkheid] (vgl. virtueel) + -osus [vol van].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

virtuoos znw. m., nnl. < ital. virtuoso < lat. virtuosus ‘deugdzaam, flink’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

virtuoos znw. Internationaal woord, op it. virtuoso (< lat. virtuôsus) “deugdzaam, flink” teruggaand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

virtuoos s.nw.
Iemand wat in 'n sekere kunsvak besonder begaaf en bedrewe is.
Uit Ndl. virtuoos (1824) 'iemand wat die hoogste vaardigheid in sang of die speel van 'n musiekinstrument bereik het'.
D. Virtuose (18de eeu), Eng. virtuoso (1743), Fr. virtuose.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

virtuoos (Frans virtuose)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

virtuoos ‘uitblinker’ -> Indonesisch virtuos ‘uitblinker’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

virtuoos uitblinker 1824 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut