Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

viool - (strijkinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

viool zn. ‘viersnarig strijkinstrument’
Mnl. in een toenaam: Jan Viole [1398; Debrabandere 2003, 1274]; vnnl. een viole [1555; WNT], Leert hem spelen op alle fraey Instrumenten Op Herpen / Violen / Cincken / en Fluyten ‘... op alle mooie instrumenten, op harpen, violen, zinken en fluiten’ [1561; iWNT], vioole [1588; Kil.].
Ontleend aan Frans viole ‘strijkinstrument’ [begin 13e eeuw; TLF], dat zelf net als Italiaans viola ‘id.’ ontleend is aan Oudprovençaals viola ‘id.’ [eind 12e eeuw; TLF]. De verdere etymologie is omstreden. Traditioneel voert men Oudprovençaals viola via viula terug op middeleeuws Latijn vitula ‘muziekinstrument’ [12e eeuw; Du Cange], met nevenvorm vidula [11e eeuw; Du Cange], dat men in verband brengt met hetzij het Latijnse werkwoord vītulārī ‘een overwinningszang aanheffen’, oorspr. ‘zich verheugen’, hetzij het zelfstandig naamwoord vītulus, vītula ‘jong kalf, vaars’. Middeleeuws Latijn vitula/vidula zou hetzelfde grondwoord zijn als dat wat in de Germaanse talen ontleend is als → vedel. Volgens Bec (1992) moet de Oudprovençaalse ontwikkelingsrichting viola > viula zijn en zou Laatlatijn *viola al uit de 4e of 5e eeuw stammen; een verdere etymologie wordt daarbij echter niet gegeven.
De middeleeuwse strijkinstrumenten die in het Oudfrans en het Vroegnieuwnederlands met het woord viole werden aangeduid, komen nog het meest overeen met instrumenten die in het Nederlands tegenwoordig viola's worden genoemd, waarvan de bekendste de viola da gamba (Italiaans ‘viool bij het been’) is (cf. Vromans 2005, 423). Terwijl het Franse woord viole en Engels viol deze oude betekenis behouden hebben (naast de jongere afleidingen Frans violon, Engels violin), is in het Nederlands het woord viole > viool overgegaan op de ‘viool’, het onder de kin gehouden viersnarige strijkinstrument dat vanaf de tweede helft van de 16e eeuw in het Europese muzieklandschap opduikt.
Lit.: P. Bec (1992), Vièles ou violes? Variations philologiques et musicales autour des instruments à archet du Moyen Âge (XI-XVe siècle), Paris; J. Vromans (2005), ‘Tussen Nederlands en violen. Violen in het Nederlands’, in: P. Hiligsmann e.a. (red.), Woord voor woord, zin voor zin. Liber amicorum voor Siegfried Theissen, Gent, 417-430

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

viool1 [strijkinstrument] {1555} < frans viole of < italiaans viola < oudprovençaals viula, viola < middeleeuws latijn vitula, uit het germ., vgl. vedel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

viool 1 znw. v., ‘instrument’, sedert Kiliaen < fra. viole of ital. viola, waarvoor zie: vedel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

viool I (instrument), sedert Kil. Zie vedel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

viool 1 v. (speeltuig), uit Fr. viole, van Mlat. vitulam (-a), dat hoogstwaarschijnlijk uit het Germ. komt: z. vedel en voorts fiool.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

viool bn., (scholierentaal) (te) serieus, streberig, vooral op het gebied van studie. - Etym.: Men associeert de sfeer van het woord met die van het muziekinstrument. Het ligt in het verlengde van klassiek*, maar hoeft daarmee niet samen te gaan. Zou zijn basis ook kunnen hebben in viooljongen*. S finjoro = viool, in beide bet.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Geweld snw. Segsw.: Met geweld kan jy ’n viool teen ’n eikeboom stukkend slaan. – N. T. XIII, 138 (Sprw. en sprw. Uitdr. voorn. uit Goeree en Overflakkee): Met geweld, ja, dan kun je wel een viool tegen een boom kapot slaan; Ter Laan 220: “Je kinṇ wel ṇ fioul teegṇ ṇ aikṇboom kepòt haauwgṇ met geweld kan men in tere zaken niets beginnen.” Die spreekwyse staan ook opgeteken by Harreb. I, 78: Men kan wel eene viool tegen een’ eikenboom in stukken slaan, en by Eckart 156: Met Gewalt kann man ’ne Viggeline an Eikbaume entwē slaên. W(estfalen).
Meer gewoon in Afrikaans is die segswyse: Met geweld kan jy jou duim in jou gat afdraai, waarby te vergelyk is Harreb. I, 7: Die zijnen duim in zijn’ aars wil breken, kwetst zich zelven (uit die 17de eeu) en Rutten 73: “Als het ongeluk mee wil, zou men zijnen vinger in zijn gat breken, kleine oorzaken kunnen erge gevolgen hebben.”

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

viool ‘muziekinstrument’ (Oudfrans viole of Italiaans viola); ‘bloem’ (Oudfrans viola)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

viool. In de verwensing je kunt mijn viool kussen! neemt viool de plaats in van de benaming voor het geslachtsorgaan. Het is een wat mildere verwensing, omdat viool de letterlijke betekenis uitstelt. Momenteel is de gevoelswaarde van de verbinding er een van afkeer en minachting, en de betekenis is niet veel meer dan ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Beperkt tot het zuiden van het taalgebied. → kunnen.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Viool, muziekinstrument, uit fr. viole, it. viola, mlat. vitula; nu komt het in beteekenis overeen met fra. violon, it. violone, terwijl de alt(viool), die een kwint lager stemt, de it. viola is; deze moet dus eerst de gewone viool geweest zijn, en de tegenwoordige, die wat kleiner dan de alt is, evenals de fra. violon van later dagteekening zijn; men geeft op: ± het einde der 15e eeuw in Frankrijk, waarom ze door de Italianen violini alla Francesa genoemd zouden zijn; bij ons kreeg de kleinere meest gebruikte den ouden naam, en de zwaardere behield ter onderscheiding de bijvoeging alt, die ze vroeger reeds had als onderscheiding naast viola bassa; viool zelf viel weg, althans meestal, zooals ook in vleugel(piano), piano(forto) enz. Viool vindt men vroeger vaak met f gespeld, b.v. Westerbaen, Ged. 1, 177.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

viool ‘snaarinstrument’ -> Deens dialect fiol ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fiol ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins viulu ‘snaarinstrument’ ; Ests viiul ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis piola ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Atjehnees biula, bi'ula ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Boeginees biyôla ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Jakartaans-Maleis biola', biolè, pi'ol ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Javaans piyul ‘Europees strijkinstrument’; Kupang-Maleis fiola ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Madoerees viyōl, biyola, biyolah ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Makassaars biyôla ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Menadonees fiola ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Sasaks piul ‘snaarinstrument’; Soendanees biola ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Ternataans-Maleis fiola ‘snaarinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Munsee-Delaware păyó:l ‘snaarinstrument’; Mahican piõn ‘snaarinstrument’; Berbice-Nederlands fiolo ‘snaarinstrument’; Papiaments fió (ouder: viool) ‘snaarinstrument’; Sranantongo finyoro (ouder: finjólo) ‘snaarinstrument’; Saramakkaans fiólu ‘snaarinstrument’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

viool snaarinstrument 1555 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2413. De eerste viool spelen,

d.i. ergens het meest in te brengen hebben, eene eerste rol spelen, den toon aangeven, den boventoon voeren, mnl. vore singhen, of zooals men in Zuid-Nederland zegt ergens den eersten regel schrijven (Schuerm. 530 b). De uitdrukking is ontleend aan een strijkkwartet, waar de eerste viool de voornaamste rol vervult. Zie Harreb. II, 383 b: Hij speelt de eerste viool; Cam. Obsc.19, bl. 31; Nkr. IV, 23 Oct. p. 4: Zij spelen daar in d'oppositie de eerste viool; VII, 26 Juli p. 2: En dat jij Janus Geldzak de eerste viool speelt, daarvoor zal ik me niet dik maken; Handelsblad, 13 Mei 1915, p. 2 k. 1: In den tijd, toen Michiel de Ruyter met zijn vloot zegevierend de Theems opvoer, speelden de Staten-Generaal in het Europeesch concert een eerste viool; vgl. ook De Telegraaf, 15 Januari 1915 (avondbl.), p. 2 k. 3: Het trotsche Engelsche volk werd het moede de onnoozele tweede viool te spelen; afrik. die eerste viool speel; Antw. Idiot. 1379; Joos, 95; Waasch Idiot. 714; De Cock2, 61: de(n) eerst(en) bas spelen; hd. die erste Geige spielen; Reuter, 123: de irste Vigelin spelen; eng. to play first fiddle, - second fiddleIn Journal, 372 wordt hiermede vergeleken Symmach. ep. 8, 15: secundae igitur mihi partes relictae sunt..

2414. Dat heb ik nog nooit op de viool hooren spelen,

d.w.z. zoo iets geks of zonderlings heb ik nog nooit gehoord of gezien; dat vind ik al zeer ongerijmd. Vgl. Harreb. I, 193: Wie heeft het ooit op de viool (of fluit) hooren spelen?; Het Volk, 11 Juni 1914, p. 1 k. 4: Onverwacht had hij hen op 't lijf gegooid, niets meer of minder dan de strafrechtelijke sanktie van het kollektieve kontrakt. Dat hadden ze nog nooit op de viool hooren speelen; A. Jodenh. II, 2: Nee hoor, dat heb ik nog nooit op de viool hoore speule; 'n jonge van twee en twintig jaar zal nie kenne danse!; Druiventros, 16: Het huis te klein .... het loon te laag .... het werk te zwaar .... Maar te triest! .... God zal me kraken, te triest! .... dat had hij nog nooit op de viool hooren fiedelen; fri. hwa het dat ea op 'e fyoele spyljen heard, wie heeft het ooit zoo dwaas gehoord?; Breuls, 84. In Zuid-Nederland: dat heb ik nog nooit op eenen klomp hooren spelen (Claes, 115) of dat heb ik nog nooit in mijn pap gevonden, dat ben ik nog nooit tegengekomen, dat heb ik nooit ondervonden (Antw. Idiot. 1958).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal