Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vinnig - (scherp, bits; bijdehand, flink)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vinnig bn. ‘scherp, bits; bijdehand, flink’
Mnl. vinnich ‘schimmelig, bedorven e.d.’ in Hare broed vinnech ende suard ‘hun brood (was) schimmelig en zwart’ [1285; VMNW], worden darna der verkene enich up der tongen vinnich gevonden ‘als er vervolgens ook maar een van de varkens met tongblaasjes wordt gevonden’ [1356-57; MNW], vijnnich vleijsch ‘bedorven vlees’ [eind 14e eeuw; MNW], ‘fel, streng’ in vynnicheit ‘felheid, strengheid, norsheid’ [1477; Teuth.]; vnnl. vinnich ook ‘begerig, gierig; woest, fel’ [16e eeuw; iWNT], ook ‘boosaardig, kritisch, scherp’ [1612; iWNT]; nnl. vinnig, ook ‘bijdehand, flink’ [1764; iWNT].
Afleiding van mnl. vinne ‘puistje, blaasje’ in oft oic schone is van vinnen of niet ‘of het werkelijk vrij is van ziekte of niet’ [1454-73; MNW]. Alle andere betekenissen zijn hier overdrachtelijk uit ontstaan, maar de meeste ervan zijn tegenwoordig verouderd. Het woord vinne is van onbekende herkomst (Kluge), maar zie ook → vin.
Mnd. vinnich ‘schimmelig, bedorven, ranzig, stinkend; hatelijk, gemeen’; mhd. vinnic ‘id.’; nfri. finnich ‘scherp, bits’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vinnig* [scherp, bijtend] {vinnich 1285} van vin [stekel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vinnig bnw., mnl. vinnich ‘vinnig, scherp, stekelig; zuur, muf’, Kiliaen vinnigh ‘scherp, wreed, heftig; gierig; ranzig van smaak’, Teuth. vinnich ‘nijdig, kwaadaardig’, ook nnd. en fri., is een afl. van vin, waarbij de oudere bet. van ‘stekelig, scherp’ nog op de voorgrond staat. Dat deze afl. juist moet zijn, bewijst o.a. de bet. ‘ranzig’ bij Kiliaen, die wij ook bij vin aantreffen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vinnig bnw. Kil. vinnigh “acer, asper, crudelis, saevus, vehemens”, ook “avarus”, mnl. vinnich “nijdig, kwaadaardig”. Ook ndd. fri. Sluit zich bij vin aan, ofschoon de bet.-geschiedenis niet geheel klaar is: wsch. moeten we van vinne “stekelige vin” uitgaan. Dial., vooral zuidndl., ook in afwijkende bet., vooral = “vlug, pienter”, in het Antw. de bett. “bevallig, lief” en “snel, wakker, vlijtig” en “handig te hanteeren”. Van het aan het eind van ’t artikel vin besprokene vinne komt Kil. vinnigh “rancidus. et Mucidus: putris, corruptus” (“Germ.”) en “grandinosus” (“Sax. Sicamb. Holl.”), een ook mnl. mhd. mnd. woord.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vinnig. In de bet. ‘nijdig, kwaadaardig’ niet mnl., slechts Teuth. — Voor zuidndl. bett. als ‘vlug, handig, vlijtig’ e.d. vgl. de soortgelijke bet.-sfeer van kittig (zowel ‘flink, kwiek, aardig’ als ‘vurig, fel, vinnig’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vinnig bijv.( giftig, boos), Mnl. vinnech (= beschimmeld) + Ndd. vinnich = met scherpen geur, stinkend: van vin 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vinnig b.nw.
1. Gevat, skerp. 2. Geestelik aktief. 3. Wat snel beweeg. 4. Wat binne 'n kort tyd gedoen kan word. 5. Snel opeenvolgend.
In bet. 1 uit Ndl. vinnig (1612) 'fel, skerp, heftig'. In bet. 2 uit Ndl., gewestelik in S.Ndl. in die vorm vinnig (1764) 'wakker, flink, skerp, aktief'. Ndl. vinnig is 'n afleiding van vin (Mnl. vinne) 'vin, stekelrige ding'. Bet. 3, 4 en 5 is leenbetekenisse van Eng. quick (1297 in bet. 3, 1450 in bet. 4, 1548 in bet. 5). Eerste optekening in vroeë Afr. in 1779 in die oënskynlike bet. 'snel' (Scholtz 1965: 200 - 201), waarna in Afr. by Pannevis (1880) in die bet. 'snel, haastig'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vinnig: gou, haastig, snel; Ndl. vinnig (Mnl. vinnich, “kwaadaardig, nydig”, ook by Kil o.a. in dgl. bet., bv. “vehemens”), in SNdl. dial. ook in Afr. bet., hou wsk. verb. m. vin in ou bet. v. “stekelrige ding”; vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 33 m. aanh. uit Wik en verwysing na Antw.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vinnig* scherp, bijtend 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut