Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vink - (zangvogel (Fringilla coelebs))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vink zn. ‘zangvogel (Fringilla coelebs)’
Onl. finko ‘vink’ in het toponiem finkanbusk ‘vinkenbos, locatie bij Heverlee (Brabant BE)’ [1154; Gysseling 1960]; mnl. vinc in rouke couwen vinken meewen ‘roeken, kauwen, vinken, meeuwen’ [1287; VMNW].
Wrsch. een klanknabootsend woord.
Os. finko (mnd. vinke, vanwaar door ontlening nzw. fink); ohd. finko (nhd. Fink); nfri. fink; oe. finc (ne. finch); alle ‘vink’, < pgm. *finka(n)-.
Vergelijkbare, maar niet noodzakelijk verwante namen voor de vink of voor andere kleine zangvogels buiten het Germaans zijn: Frans pinson ‘vink’ (Italiaans pincione enz., < vulgair Latijn pincio); Grieks spíngos ‘vink’; Sanskrit kala-víṅka- ‘mus’; Welsh pinc ‘vink’; Russisch pénka ‘boszanger, loofzanger’, Tsjechisch pěnkava ‘vink’, pěnice ‘grasmus’.

vinkje zn. ‘V-vormig tekentje’
Nnl. vinkje ‘V-vormig tekentje’ [1954; pers.waarn.], de speelse en rake term vink voor de V-vormige controletekens [1960; Onze Taal], vinkje “V-vormig tekentje waarmee men een gecontroleerde post merkt” [1976; Van Dale].
Genoemd naar de → vink. Het schrijven van een V-teken als markering van een gecontroleerde post is ongetwijfeld veel ouder. Hoe, waar en wanneer de term vinkje en de bijbehorende werkwoorden afvinken (zie onder) en aanvinken zijn ingevoerd, is onbekend. De beginletter van deze vogelnaam, het feit dat vinken relatief kleine vogels zijn en dat een minimalistische tekening van een vogel eveneens de vorm van een V heeft, zullen zeker een rol hebben gespeeld. Dat geldt misschien ook voor de gewoonte om Vu, Frans voor ‘gezien’, op een document te schrijven om aan te geven dat het ter correctie gezien was.
Grote bekendheid kreeg het woord met zijn afleidingen vooral m.b.t. het kiezen van instellingen in computerprogramma's, waarbij men opties kan aanvinken of uitvinken door het plaatsen of verwijderen van een vinkje.
afvinken ww. ‘aanvinken bij afhandeling’. Nnl. Een voortreffelijk Nederlands woord hoorden wij gebruiken voor de bezigheid die doorgaans uitsluitend met checken wordt aangeduid: afvinken ... het woord leeft op de speelse en rake term vink voor de V-vormige controletekens [1960; Onze Taal].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vink* [vogel] {in de persoonsnaam Martiin Vinke 1270, vinke [vogel] 1287} middelnederduits vinke, oudhoogduits finc(h)o, oudengels finc (engels finch), deens finke, zweeds fink [vink], spink [mus], noors dial. spikke [een soort vogeltje], van klanknabootsende oorsprong, vgl. middeleeuws latijn pincio, grieks spiggos, spiza, spizein [sjilpen]; in blinde vink hebben we eveneens te maken met de vogel, vgl. frans oiseau sans tête, oostfries plükde finke [geplukte vink] (vgl. slavink).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vink znw. m. v., mnl. vinke m. v., mnd. vinke m., ohd. fincho (nhd. finke); daarnaast oe. finc m. (oe. finch). Verder nzw. spink ‘mus’, nnoorw. dial. spikke ‘kleine vogel’ (ne. spink ‘vink’ sedert ± 1425 waarsch. < ngerm.). — gr. spíggos ‘kleine vogel, vink’.

Of hiertoe ook behoort on. spiki m. ‘mees’ is onzeker, maar toch niet onwaarsch. (AEW 535). — Verbinding met nnoorw. spiken ‘nauw, schaars’, zie: spichtig (IEW 982) is hoogst onwaarschijnlijk. Ook de verbinding met oi. piñktē ‘schildert’, lat. pingō ‘schilderen’ (dus naar de kleur van de veren) is ondanks gr. piggan ‘kuiken’ (Hes.) onmogelijk, daar deze wt. nergens s-voorslag vertoont. Kluge-Mitzka 198 herinneren aan gr. spiza ‘kleine vogel’ naast spízein (< spigjein) ‘fluiten’ en denken aan een klankwoord. Daarmee zou ook verklaard zijn, dat het romaans gelijksoortige woorden kent, zoals ital. pincione, nfra. pinson, spa. pinchón, pinzón, die, althans niet rechtstreeks, niet met de germ. woorden verbonden kunnen worden. — Een dialectkaart van dit woord van P. J. Meertens, Taalatlas afl. 6, 8.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vink znw., mnl. vinke m. v. = ohd. fincho (nhd. finke), mnd. vinke m. “vink”, waarnaast de sterke stam ags. finc m. (eng. finch) “id.”. Mlat. pincio (it. pincione, fr. pinson) “vink” kan met ’t oog op lat. c: germ. k niet oerverwant zijn; eer komt het uit ’t Germ., met vervorming van den anlaut. Een idg. anlautvariant is zw. spink “musch” (eng. spink “vink” uit ̓t Noorsch?), gr. spíngos “kleine vogel, vink”. Niet onmogelijk is verwantschap met lat. pingo “ik schilder, borduur”, oi. piŋga-, piŋgalá- “roodbruin”, waarbij ook andere diernamen worden gebracht: ier. êcne “zalm”, gr. píngalos “hagedis” (Hes.). Deze basis pi-g-, pi- ŋ-g- is met pi-ḱ- verwant (zie veeg II). Zíe spikkel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vink. In verschillende talen (o.a. Bret. Magy.) komen benamingen van zangvogels voor, die een element pink- bevatten, waarbij oerverwantschap of ontl. niet wsch. is; eerder moet men denken aan onderling onafh. onomatopoëtische vormingen. Misschien is mlat. pincio ook zo’n woord. Ook de idg. basis *piŋg- kan onomatop. zijn, hoewel ook de combinatie met lat. pingo enz. een aannemelijke etymologie geeft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vink m., Mnl. vinke + Ohd. fincho (Mhd. vinke, Nhd. finken), Ags. finc (Eng. finch), Zw. fink, De. finke; hierbij Zw. spink = musch + Gr. spíngos = kleine vogel, verder ook, ofschoon in minder duidelijke verhouding, We.. pinc, Fr. pinson, It. pincione.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vinke zn.: vink; hoofdluis; snotbel. Overdr. bet. van vink. Voor de bet. ‘snotbel’, vgl. Vl. beest(e) ‘pullekje, gedroogd snot’, Wvl. vinkevanger ‘neuspeuteraar’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vink s.nw.
Enigeen van verskeie soorte wewervoëls wat in groepe kunstige grasneste wat aan takke oor water hang, bou.
Uit Ndl. vink (Mnl. vinke) 'enigeen van verskeie soorte voëls van 'n ander geslag en effens kleiner as dié in S.A.'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling vinknes.
D. Fink (8ste eeu), Eng. finch (700). Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1834).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vink (de, -en), (alleen in samenst.) naam voor: 1. een aantal tangara’s (genus Tangara, familie Thraupidae): anijsvink* = blauwvink* (1) = groenvink* (1) = epauletvink* = paleisvink* = portretvink*; blauwvleugelvink*; goudvink*; stippelvink*; 2. de blauwe dacnis, een suikervogel (familie Coerebidae): blauwvink* (2) = groenvink* (2). Zie ook modevinkje*. Volgens P&P (1910: 383) zijn het alle vogels met een geluid als ’piet-piet’ of ’pieng-pieng’. - Etym.:AN v. is een alg. zangvogel o.m. in Ned. (Fringilla coelebs) en, in samenst., een aantal andere, verwante zangvogels, alle behorende tot de familie der ’vinkachtigen’ (Fringillidae). Van deze familie komen ook in Sur. vele vertegenwoordigers voor, maar deze worden niet ’vink’ (soms wel rijstvogel*) genoemd: o.m. vele kanaries*, gelebek*, moustache*, roti*, pikolet*, twatwa*. - Opm.: Waar in dit woordenboek een vogel omschreven wordt als ’vinkachtige zangvogel’, wordt bedoeld dat deze tot de ’vinkachtigen’ (familie Fringillidae) behoort, dus niet dat hij behoort tot of lijkt op de genoemde Tangara-soorten of suikervogels.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vink: versk. voëls., oor soorte v. Malh DFdT VII 228; Scho PD 12 verkl. dat “by ons die vinke oor die algemeen veel groter voëls is (as) wat in die familie Ploceidae ondergebring word”, terwyl d. Eur. vinke lede is v. d. onderfam. Fringillinae (t.a.p. 11), fam. Fringillidae; Ndl. vink (Mnl. vinke), Hd. finke, Eng. finch, misk. verb. m. Gr. spiggos, “vink”, en Lat. pingere, “skilder”; in Ndl. volkst. is vink alg. ben. vir kleinerige voëls.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

vinke 'slechte, lichte turf'
1514 Van leurturf, overrijnsche vincken, vleet- ende dachvelts turf1, 16e eeuw Die quade lichten witten turff, die men hyet vyncken2, 1560? van elcke tonne witten Turf ofte Vincken3, 1644 in 't tonnen van den grauwen Turf ofte Vincken4, 1644 den grauwen Turf ofte Vincken5; Mnl. vinke 'slechte, lichte turf', mogelijk naar het in brokken uiteenvallen. In het Waasland (B) is vink een -weinig gebruikte- benaming voor 'veen, veengrond'. Vergelijk De Vinken, een veenachtige streek onder Bunschoten, waar een kamp een vink heet.
Lit. 1WNT sv Loorturf, 2WNT sv Vinke, 3WNT sv Vink, 4WNT sv Turf, 5WNT sv Vink.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

VINKENFringillidae
Vink is een klanknabootsend woord. Fringilla betekent zoveel als kwetteraar of tjilper.

VINKFringilla coelebs
Duits Buchfink
Engels Chaffinch
Frans Pinson des arbres
Fries Skelfink
Betekenis wetenschappelijke naam: tjilper, ongepaard (celibatair). D.w.z. de mannetjes en vrouwtjes gaan gescheiden, na elkaar, op trek. Vink is, evenals Fenke (Twe), Fink (Fr) en Vienk(e) (Goe, Zl), een klanknabootsing van de vogelroep. Vergelijk Oudhoogduits fincho, Oudengels finc, Grieks spinos (= fringillus), Middellatijn pincio, Keltisch pinc en de bovenvermelde namen. Ook in onze volksnamen is het element ‘vink’ vrijwel altijd aanwezig. Kennelijk ligt die klank goed in het gehoor. In de Friese naam is de luid klinkende zang aangeduid. Maar skelfink is ook een uitdrukking voor een scheldend wijf. Andere namen met betrekking tot zang of alarmroep zijn Schelvink, Kwinker (vgl. kwinkeleren), Distrewie (Maa), Suskewiet (Vla), Toetvink(e) (Ach, Lij), Slagvienke (ZBW), Slagvink en Slachfink (Fr). Men zegt ook “de Vink slaat”. Schildvink en Schillevink (Fr) verwijzen naar de dubbele witte vleugelband, waardoor het kleurenpatroon aan dat op een schild doet denken. De blauwe kruin en nek bezorgden de Vink de namen Blauwkop (NH) en Blauwvink. De rossige onderzijde is verwoord in Roadmosk (Ter) en Readfink (Ter). Toefvinke (Ach), Tooffenke (Twe), en Doefvink (Lij) kunnen doelen op een ‘kuif’ vanwege het opzetten van de kruinveren bij agressiviteit. Z’n namen Toogveenke (Twe) en Tookvinke (Twe) betekenen ‘takvink’. Wellicht hebben ze dezelfde achtergrond als Takken, een naam voor een jonge Vink en Takrd (Twe), dat is een jong vogeltje op een tak bij het nest. In het zomerseizoen komt de Vink meestal voor in terreinen met veel geboomte en ondergroei. Dit is herkenbaar in Bosvink (Gr, Lb), Bogervink (WZV), Bogerdvinke (ZVl), Boomgaardvink (Vla), wat tevens de naam voor een in de zomer gevangen Vink is, Hofvink, Hofsteevink – beide van toepassing op de niet wegtrekkende Vink –, Beukvink (Kat), Boekvink (Gr, Lb), Boekfink (Fr), Bookvink (Lb), Bookveenke (Wee) en Bokvink (Lb). Beukvink was aanvankelijk z’n Nederlandse naam, welke te danken is aan de behoefte van de vogel aan beukenootjes, die hij in het najaar op z’n reis door ons land onder de bomen verorbert. Misschien duidt de naam Laanvink eveneens op z’n aanwezigheid in beukenlanen. Botvink (NB, OZV, Vla), Botvienk(e) (Goe) en Bieter (Ens) doelen op het stukbijten van uitbottende spruiten aan bomen en struiken. (De Appel- en Goudvink zijn hierom berucht.) Z’n naam Veldvink past in een winters decor, wanneer hij de stoppelige akkers afstroopt om zaden op te pikken. De naam zal ook verband houden met het feit dat de Vink op de grond fourageert. Een Bofvink is een met opgeblazen wangen zingende Vink. De Kolfvink (Gr) zou een plaatselijke variëteit zijn geweest, herkenbaar aan een witte vlek in de nek, aldus een vermelding uit 1856. Maanvink en Maankop verwoorden de in de vorm van een maansikkel over de zijkant van de kop lopende afscheiding van kleuren. Een Meivink (ONB) is een term uit de vroeger zo ingeburgerde vinkerij. Het was een in mei gevangen Vink en, gelet op de periode van het jaar, tevens de aanwijzing dat zo’n exemplaar een standvogel was, een Hierlandse (ONB). Oostvink (NH), Oosterling (Vla) en Oosterse Vink (Vla) zijn namen voor in het najaar gevangen en uit het oosten afkomstige Vinken. Een Schokker (Kam) is mogelijk een uit de richting van het vroegere eiland Schokland gekomen Vink. Bij velen zijn Vinken geliefd om hun zang omdat die zeer gevarieerd kan zijn. Men kweekt de vogels en houdt er zangwedstrijden mee. Bekend is de vinkenslag van de Waal (ONB, Vla) of Waalvink (ONB, Vla), van oorsprong standvogel in Wallonië. Vinken uit de Ardennen zouden niet zo mooi zingen als Walen en een Vink wiens zang van weinig waarde is wordt een Franse Vink genoemd. Andere Vlaamse vinkennamen zijn Mosvink, Sneeuwvogel, St. Jansvogel, Steenpreeuwer, Reepeeuwer en Zeepeeuwer. Van vogelvangers of vinkers kennen we het woord lokvink en de uitdrukking ‘op het vinkentouw zitten’. Het wordt gezegd van iemand die met spanning het geschikte moment afwacht om tot handelen over te gaan. En iemand die afluistert is een luistervink.

VINKFringilla coelebs
Duits Buchfink
Engels Chaffinch
Frans Pinson des arbres
Fries Skelfink
Betekenis wetenschappelijke naam: tjilper, ongepaard (celibatair). D.w.z. de mannetjes en vrouwtjes gaan gescheiden, na elkaar, op trek. Vink is, evenals Fenke (Twe), Fink (Fr) en Vienk(e) (Goe, Zl), een klanknabootsing van de vogelroep. Vergelijk Oudhoogduits fincho, Oudengels finc, Grieks spinos (= fringillus), Middellatijn pincio, Keltisch pinc en de bovenvermelde namen. Ook in onze volksnamen is het element ‘vink’ vrijwel altijd aanwezig. Kennelijk ligt die klank goed in het gehoor. In de Friese naam is de luid klinkende zang aangeduid. Maar skelfink is ook een uitdrukking voor een scheldend wijf. Andere namen met betrekking tot zang of alarmroep zijn Schelvink, Kwinker (vgl. kwinkeleren), Distrewie (Maa), Suskewiet (Vla), Toetvink(e) (Ach, Lij), Slagvienke (ZBW), Slagvink en Slachfink (Fr). Men zegt ook “de Vink slaat”. Schildvink en Schillevink (Fr) verwijzen naar de dubbele witte vleugelband, waardoor het kleurenpatroon aan dat op een schild doet denken. De blauwe kruin en nek bezorgden de Vink de namen Blauwkop (NH) en Blauwvink. De rossige onderzijde is verwoord in Roadmosk (Ter) en Readfink (Ter). Toefvinke (Ach), Tooffenke (Twe), en Doefvink (Lij) kunnen doelen op een ‘kuif’ vanwege het opzetten van de kruinveren bij agressiviteit. Z’n namen Toogveenke (Twe) en Tookvinke (Twe) betekenen ‘takvink’. Wellicht hebben ze dezelfde achtergrond als Takken, een naam voor een jonge Vink en Takrd (Twe), dat is een jong vogeltje op een tak bij het nest. In het zomerseizoen komt de Vink meestal voor in terreinen met veel geboomte en ondergroei. Dit is herkenbaar in Bosvink (Gr, Lb), Bogervink (WZV), Bogerdvinke (ZVl), Boomgaardvink (Vla), wat tevens de naam voor een in de zomer gevangen Vink is, Hofvink, Hofsteevink – beide van toepassing op de niet wegtrekkende Vink –, Beukvink (Kat), Boekvink (Gr, Lb), Boekfink (Fr), Bookvink (Lb), Bookveenke (Wee) en Bokvink (Lb). Beukvink was aanvankelijk z’n Nederlandse naam, welke te danken is aan de behoefte van de vogel aan beukenootjes, die hij in het najaar op z’n reis door ons land onder de bomen verorbert. Misschien duidt de naam Laanvink eveneens op z’n aanwezigheid in beukenlanen. Botvink (NB, OZV, Vla), Botvienk(e) (Goe) en Bieter (Ens) doelen op het stukbijten van uitbottende spruiten aan bomen en struiken. (De Appel- en Goudvink zijn hierom berucht.) Z’n naam Veldvink past in een winters decor, wanneer hij de stoppelige akkers afstroopt om zaden op te pikken. De naam zal ook verband houden met het feit dat de Vink op de grond fourageert. Een Bofvink is een met opgeblazen wangen zingende Vink. De Kolfvink (Gr) zou een plaatselijke variëteit zijn geweest, herkenbaar aan een witte vlek in de nek, aldus een vermelding uit 1856. Maanvink en Maankop verwoorden de in de vorm van een maansikkel over de zijkant van de kop lopende afscheiding van kleuren. Een Meivink (ONB) is een term uit de vroeger zo ingeburgerde vinkerij. Het was een in mei gevangen Vink en, gelet op de periode van het jaar, tevens de aanwijzing dat zo’n exemplaar een standvogel was, een Hierlandse (ONB). Oostvink (NH), Oosterling (Vla) en Oosterse Vink (Vla) zijn namen voor in het najaar gevangen en uit het oosten afkomstige Vinken. Een Schokker (Kam) is mogelijk een uit de richting van het vroegere eiland Schokland gekomen Vink. Bij velen zijn Vinken geliefd om hun zang omdat die zeer gevarieerd kan zijn. Men kweekt de vogels en houdt er zangwedstrijden mee. Bekend is de vinkenslag van de Waal (ONB, Vla) of Waalvink (ONB, Vla), van oorsprong standvogel in Wallonië. Vinken uit de Ardennen zouden niet zo mooi zingen als Walen en een Vink wiens zang van weinig waarde is wordt een Franse Vink genoemd. Andere Vlaamse vinkennamen zijn Mosvink, Sneeuwvogel, St. Jansvogel, Steenpreeuwer, Reepeeuwer en Zeepeeuwer. Van vogelvangers of vinkers kennen we het woord lokvink en de uitdrukking ‘op het vinkentouw zitten’. Het wordt gezegd van iemand die met spanning het geschikte moment afwacht om tot handelen over te gaan. En iemand die afluistert is een luistervink.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Afrikaanse Vink Fringilla (coelebs) spodiogenys Bonaparte 1841. In Noord-Afrika broedende nauwe verwant van de Vink.
Op 4 april 2003 voor het eerst in N waargenomen op de Maasvlakte (ZH). Een oud F geval (gevangen en opgezet) dateert van april 1861 [Mayaud 1936 p.196-197]. F Pinson spodiogène.
ETYMOLOGIE Afrika: <Lat Africa.

Fink Het friese woord voor Vink ↑.

Turkse Boekvink Turkse Vink Namen voor de Keep in delen van Limburg [kaartje in WLD p.129] en Geraardsbergen (OVl) [WVD]. Ook kortweg Turk. Turkse Veenk in Enschede [B&TS]. ‘Turks’ heeft de lading van ‘exotisch’.

Vink Fringilla coelebs Linnaeus 1758 (1). Voor deze soort bestaan ook ‘vollediger’ namen zoals Boekvink, Maanvink, Schildvink ↑. Fries Skelfink ↑. De korte naam heeft zich als soortnaam goed kunnen handhaven ondanks dat deze ook staat voor de naam (het begrip) Vinkachtige (= ‘lid van de familie der Fringillidae’) (2).
Als znw. is vinken (verbogen vorm) in 1287 in de N literatuur aangetroffen, als (toe)naam van een persoon (“dodin vinc”) in 1180 en 1264 (“vinke”), en als onderdeel van de plaatsnaam Vinchenbusch (= Vinkenbos in BB) in 1154 [Schoonheim 2002; VT].
ETYMOLOGIE De naam wordt wel verklaard als een geluidsnabootsing van de bekende lokroep “pink” van deze soort. Lockwood 1993 veronderstelt dat idg *ping de zgn. Germaanse Klankverschuiving heeft doorgemaakt en zo tot ohd uinco (8e eeuw), finco (9e/10e eeuw), fincho (11e eeuw) (>D Fink) en oudengels finc (>E Finch) is geworden. Hierbij gaan Klankwetten nr.7 en 6 op, maar Klankwet nr.9, die gezien Lat *pincio had moeten gelden, níét.
Een eventuele oerverwantschap van de germ namen met de romaanse woorden voor ‘Vink’, die met p- beginnen (F Pinson, Sp Pinzón (<volksLat *pincio) is dus taalkundig niet aan te tonen, evenmin als met de keltische namen zoals welsh Pink (waar de anlautende p niet had mogen staan; vgl. welsh llawn sub Volle Eend). In sommige E volksnamen staat echter ook de p (Pink, naast Pink-pink, Pink-twink en Chink), zodat hier sprake kan zijn van een hernieuwde onomatopoëtische benoeming in recentere tijden.
[Officieel E voor de Vink is: Chaffinch (letterlijk: ‘kafvink’); vgl. de N volksnaam Kolfvink.]
Vgl. bulgaars Tsjinka met E volksnaam Chink (beide klanknabootsingen). Estisch Vint vertoont aanvangs-V, zonder dat daar een Germaanse Klankverschuiving voor verantwoordelijk kan zijn, tenzij het een germ leenwoord is. Hongaars Pinty, Pinc en fins Peippo vertonen de aanvangs-P. In sommige talen zijn de namen voor ‘Vink’ ingeleend, zoals zweeds Fink (<ouder finke) uit het nederduits [Suolahti].

Zeegroene Vink Oude N naam bij B&O 1822 voor Linnaeus’ Fringilla Serinus (welke de Europese Kanarie is; ↑; zie ook sub Kanarie). Op p.439 vermelden deze auteurs over de betreffende soort: “Komt alleen bij toeval hier te lande.” Dat zal dan ook de reden zijn, waarom de naam niet klopt: de vogel is niet zeegroen. Mogelijk was men met de Citroenkanarie ↑ in de war, waarvoor de kleur beter klopt (maar deze vogel kwam/komt in het geheel niet bij ons voor), of anders, en dit is het meest waarschijnlijk, met een kleurvariant van de gekweekte Kanarie Serinus canaria. Bij vergissing wordt de wilde stamvader van deze “Europese kanarie” genoemd [Vriends 1980 p.13]. Ook bij andere volksnamen (vgl. Chineeske) kan men zich afvragen of men wel Serinus serinus op het oog heeft gehad. Bij enquêtes naar het gebruik van vogelvolksnamen worden veel interpretatiefouten gemaakt door de enquêteurs.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vink. In de 16de en 17de eeuw bestaat de krachtterm bij gans vinken. Men zwoer bij alles aan wat God leven gaf, en niet alleen bij de mens, maar ook bij gewassen en dieren. → bok, das, gans, haas, hond, kat, kieviet, koe, koekoek, konijn, kraai, muis, slak, varken, wolf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vink ‘zangvogel’ -> Deens finke ‘zangvogel; scheldwoord voor jonge vrouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fink, finke ‘zangvogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fink ‘zangvogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels fink, vink ‘zangvogel’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vink* zangvogel 1270 [CG I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1446. Een luistervink,

d.w.z. iemand, die iets afluistert of beluistert; eene sedert de middeleeuwen voorkomende benaming, met de bet. van ‘hij of zij die gesprekken afluistert en daarvan misbruik maakt, kwaadstoker, konkelaar’. Vgl. luisteren als vinken of als eene vink (o.a. C. Wildsch. III, 187; Antw. Idiot. 783). Zie het Mnl. Wdb. IV, 918 en vgl. Poirters, Mask. 77; Huygens, Voorhout, vs. 553; Halma, 329; Sewel, 465; Antw. Idiot. 783: Liever 'nen dief aan de klink, dan 'en luistervink; fri. lusterfink. Andere samenstellingen met vink zijn: goudvink (iemand die rijk is); rietvink (iemand met een piepende stem); distelvink (hij die gemaakt vroolijk is); vlasvink (iemand die op het vlasveld werkt); roervink (oproermaker); lokvink (iets dat aanlokt); gatvink (17de-eeuwsche scheldnaam); sletvink, lichtvink, een kale, geplukte vink, een rare vink; enz. Het woord vink wordt hier in oneigenlijke opvatting gebruikt om persoonsnamen te vormen van ongunstige beteekenis, evenals -vogel; vgl. een rare vogel, een kale vogel, een spotvogel, bentvogel, galgevogel, nachtvogel, schimpvogel, enz. en het hd. Dreckfink, een vuil mensch; Mistfink, Schmierfink, Schmutzfink, enz. Zie no. 654; Harreb. II, 383; De Bo, 1327; Tuerlinckx, 373.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)pingo- ‘Sperling, Fink’, vom piependen Laute

Gr. σπίγγος (Hes.), σπίζα (*σπιγγι̯α) ‘Fink’ (ähnlich σπύγγας, σπινθών, σπίνος ‘Fink’), σπιζίᾱς m. ‘Sperber’ (Bed. ‘Sperlingstößer’ wie in nhd. Sperber: ahd. sparo ‘Sperling’), σπίζω ‘piepe’; schwed. spink, spikke ‘kleiner Vogel, Sperling u. ä.’, engl. (aus dem Nord.) spink ‘Fink’; ai. phiŋgaka- m. ‘ein best. Vogel, der gabelschwänzige Würger’ (Bed. wie in σπιζίας, s. o.);
daneben ohne anlaut. s- ahd. fincho, ags. finc, engl. finch ‘Fink’, davon unabhängige Schallbezeichnung in frz. pinson, ital. pincione, span, pinzon, wie wohl auch in schwed. pink ‘Sperling’, engl. dial. pink, pinch ‘Fink’.

WP. II 682.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal