Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vingerhoed - (dopje dat men bij het naaien over de top van een vinger zet)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vingerhoed s.nw.
Harde doppie wat oor die vinger pas om dit tydens naaldwerk te beskerm.
Uit Ndl. vingerhoed (1515), wsk. so genoem omdat die doppie soos 'n klein hoedjie lyk wat op die vinger pas. Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die vorm vingergoed, 'n verbastering van vingerhoed.
D. Fingerhut.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vin’gerhoed (de, -en), (ook:) centiliter (10 cc), als inhoudsmaat voor sterke drank. Vermeldenswaard zijn: 1 vingerhoed = 1 centiliter en 1 maatje* = 1 deciliter. Voor de dubbele hoeveelheden gebruikt men de termen dubbele vingerhoed en dubbel maatje (Enc.Sur. 398). - Etym.: In AN veroud.
— : blauwe blauwe vingerhoed (de), kinderspelletje (zie cit.). Blauwe blauwe vingerhoed b.v., een dansspelletje. Waarbij een kind in de kring danst en de andere kinderen er om heen. Het kind in de kring mag dan telkens een ander kind kiezen om ’m in de kring te komen vervangen (Ta Maddie in WS 10-3-1984).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vingerhoed: – vingergoed – , doppie v. metaal of plastiek wat by hekel- of naaldwerk ter beskerming op vingerpunt gesit word; Ndl. vingerhoed, ss. v. vinger en hoed, v. Kloe HGA 212.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

vingerhoed Onlangs in Vlaanderen en in de omgeving van Nijmegen gehoord voor ‘borrel’. Vingerhoed is in Nederland ooit een officiële maataanduiding geweest. Nadat het in de 17de en 18de eeuw in de volksmond al was gebruikt voor ‘een kleine vochtmaat van niet nader bepaalden inhoud, met een eigenlijken vingerhoed afgemeten’, aldus het WNT, werd het op 1 februari 1809 bij wet de formele aanduiding voor 1 cl, ofwel het ‘honderdste gedeelte van den Kan of Kop’. Het vingerhoedje was toen al vele malen met drank in verband gebracht. Zo schreef Justus van Effen in 1733: ‘Hem [wierd] het glaasje, ’t welk geen twee vingerhoeden vol behelsde, ter hand gesteld.’ En in een Antwerps dialectwoordenboek uit 1900 heet het: ‘Ik kreeg daar ’en borreltje, nog geene vingerhoed groot.’ Ook de Fransen noemen een klein glaasje wel een ‘vingerhoed’: dé à coudre.
Vergelijk oorlam en pimpeltje.

[WNT XXI 841]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vingerhoed ‘dopje dat men bij het naaien over de top van een vinger zet’ -> Papiaments † vingerhoed, vringoed ‘dopje dat men bij het naaien over de top van een vinger zet’; Sranantongo fengrutu ‘dopje dat men bij het naaien over de top van een vinger zet’; Aucaans fingoeoetoe ‘dopje dat men bij het naaien over de top van een vinger zet’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut