Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vinger - (deel van de hand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vinger zn. ‘deel van de hand’
Onl. fingar ‘vinger’ in mine uingera ‘mijn vingers’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vinger [1240; Bern.].
Os. fingar (mnd. vinger(e)); ohd. fingar (nhd. Finger); ofri. finger (nfri. finger); oe. finger (ne. finger); on. fingr (nzw. finger); got. figgrs; alle ‘vinger’, < pgm. *fingra-.
Verdere herkomst onbekend. Men ontleedt pgm. *fingra- < *fengra- < pie. *penkw-ró- ‘een van de vijf vingers’ veelal als afleiding van *pénkwe ‘vijf’, zie → vijf, maar van een soortgelijke functie van het achtervoegsel *-ro- is verder geen enkel voorbeeld aanwijsbaar. Afleiding van de wortel pie. *peh2ḱ- ‘vastmaken’ (LIV 461), zie → vangen, is eveneens problematisch. De diverse andere voorgestelde etymologieën zijn evenmin overtuigend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vinger* [grijporgaan aan hand] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits fingar, oudfries, oudengels finger, oudnoors fingr, gotisch figgrs; zeer waarschijnlijk van dezelfde stam als vijf. De uitdrukking geen vinger in de as kunnen leggen [niet in staat zijn iets te doen] bewaart een herinnering aan de tijd dat men slechts open haardvuren had in plaats van kachels. De uitdrukking met een natte vinger verleiden [zeer gemakkelijk] namelijk met de kleefstof van een natte vinger, d.w.z. met praktisch niets.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vinger znw. m., mnl. vingher m., os. ohd. fingar (nhd. finger), ofri. oe. (ne.) finger, on. fingr, got. figgrs.

De etymologie is onzeker. — 1. Uit een grondvorm *penku̯-res (S. Bugge BB 14, 1880, 79 en Pedersen KZ 32, 1893, 272) en dus afgeleid van *penku̯e ‘vijf’, verg. voor de formatie oiers cōicer ‘vijftal’. — Minder gelukkig 2. uit *penghrós en dan bij vangen, dus eig. de ‘grijper’ (vgl. ook hand), zo W. Schulze Sitzb. AWBerlijn 1918, 773.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vinger znw., mnl. vingher m. = ohd. fingar (nhd. finger), os. fingar, ofri. ags. (eng.) finger, on. fingr, got. figgrs m. “vinger”. Oorsprong onzeker. De afl. van germ. *fiŋʒra- uit idg. *peŋqró-, oorspr. “vijfling, vijfsche”, van *peŋqe (zie vijf), verdient alle overweging; het formans heeft men met dat van ier. côicer “vijftal”, arm. hinge-r-ord “vijfde” vergeleken. De combinatie van vinger met vangen is mogelijk, maar minder wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vinger m., Mnl. vingher, Os. fingar + Ohd. id. (Mhd. vinger, Nhd. finger), Ags. id. (Eng. id.), Ofri. id., On. fingr (Zw. en De. finger), Go. figgrs: uit Idg. *peŋq-, een afl. van vijf (z. ook vuist en vechten). — De vinger Gods naar o.a. Exod. viii, 19. — Op zijn vingers kennen, van het tellen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vinger (zn.) vinger; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) vinger, Aajdnederlands fingar <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vinger s.nw.
Elk van die vyf gelede gryporgane waarin die hand uitloop.
Uit Ndl. vinger (al Mnl.). Ndl. vinger het wsk. dieselfde stam as vijf 'vyf'. Eerste optekeninge in Afr. by Changuion (1844) in die samestelling vingergoed 'vingerhoed' en by Pannevis (1880).
D. Finger (8ste eeu), Eng. finger (950).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vin’ger (de, -s), (ook:) 1. teen. - 2. banaan* of bakove* in een hand* (tros). In haar geëmailleerde bekken had ze nog vier vingers bananen* en drie knollen zoete patata’s*, terwijl in haar zakdoek, haar laatste zes koperen* centen* zaten opgeknoopt (C. Ooft 13). - Etym.: (1) Vgl. S foetoefinga (foetoe = voet; finga = vinger). (2) De vergelijking met een ’vinger’ als lichaamsdeel loopt parallel met die van een ’tros’ met een ’hand’ (zie hand*, 2). – Zie i.v.m. 1 ook: duim*; i.v.m. 2 ook: bos* (I).
— : zie ook derde* vinger.
— : langste vinger: zie lang*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vinger: voorlit v. d. hand; Ndl. vinger (Mnl. vingher), Hd. finger, Eng. finger, Got. figgrs, hou wsk. verb. m. Lat. quinque (uit ouer penque), Gr. pente/pempe, “vyf”, en indien wel, dan ook m. Ndl. vijf, Afr. vyf, Hd. fünf, Eng. five.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vinger (de -s gekruist houden) (vert. van Engels keep your fingers crossed); (winnen met de -s in de neus) (vert. van Frans gagner avec les doigts dans son nez)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vinger. Een enkele keer komt de opmerkelijke verwensing ga op je vinger zitten! voor. Ongetwijfeld verwijst zij naar het gebaar dat in geval van woede en frustratie gemaakt wordt, t.w. de vuist dichtgeknepen opsteken met uitsluitend de middelvinger omhoog en de palm van de hand naar binnen. In Beverwijk komt het volgende verwensingsversje voor: wat je zegt, ben je zelf,// met je kop door de helft,// met je kop door de stront,// vinger in je kont.. In regel (4) zie ik de elliptische antwoordverwensing (steek je) vinger in je kont! De emotionele betekenis daarvan duidt op minachting, afkeer, weerzin en vergelijkbare emoties en kan weergegeven worden met ‘lazer op, ik kots van je’. → elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, verf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lange vingers hebben ‘stelen’ -> Amerikaans-Engels dialect to have long fingers ‘stelen’.

vinger ‘grijporgaan aan hand’ -> Negerhollands vinger, fingu, finger ‘grijporgaan aan hand’; Berbice-Nederlands finggri ‘grijporgaan aan hand’; Sranantongo finga ‘grijporgaan aan hand’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans finga ‘grijporgaan aan hand’; Saramakkaans fingá ‘grijporgaan aan hand, teen’ (uit Nederlands of Engels); Sarnami ungri ‘vinger, teen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vinger* grijporgaan aan hand 1100 [Willeram]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

vingers: met de — in de neus (← Fr. les doigts dans le nez), zonder al te veel inspanning, erg makkelijk: winnen, fietsen, spelen enz. met de vingers in de neus. Aanvankelijk een wieleruitdrukking en Zuid-Nederlands, nu meer algemeen en ook in Noord-Nederland ingeburgerd.

Anderlecht met de vingers in de neusgaten naar ruime zege. (De Morgen, 03/10/88)
Het staat echter vast dat in de teleurstellende finale van een voor de rest roerige en boeiende ronde, Liese ‘met de vingers in de neus’ naar de eindstreep kon rijden. (Wielerfavoriet, juni 1989)
Ze speelden met ze, demarreerden met twee vingers in hun neus zo van ze weg. (HP/De Tijd, 07/02/97)
Het kabinet Kok slaagde erin 77 miljard frank meer te besparen dan eerst gepland, wat Nederlands’ begrotingstekort ver onder de twee procent terugdringt, voldoende om met de vingers in de neus de Maastrichtnorm te halen. (De Morgen, 12/09/97)
Met twee vingers in de neus kwalificeren Wim Kok en zijn schatkistbewaarder Gerrit Zalm zich voor de Economische en Monetaire Unie. (Elsevier, 13/09/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

511. Met duim en vinger iemand iets instampen.

Eigenlijk moet dit gezegd zijn van voedsel, dat men iemand brokje voor brokje in den mond duwt; bij overdracht van geestelijk voedsel: iemand iets inprenten; mnl. enen metten dume tasten; enen iet ingestampen. In de 17de eeuw komt de zegswijze (naast iemand iets instampen) o.a. voor bij Smetius, 103: Met duymen ende vingeren ingeven, indouwen; Pers, 355 b (instampen); Vondel, Gebroeders, bl. 18editie 1650.:

My docht d' Aertspriester dede
Zijn uiterste, om den Vorst t' ontvouwen 's hemels zin,
En stampt' et hem al vast met duim en vingren in.

Tuinman I, 322 citeert iets met duimen en vingeren instampen met de verklarende opmerking: ‘dat is mogelijk aan 't vullen der worsten ontleend’; Abr. Bl. II, 9: met duim en vinger inscherpen; V. Janus, III, 3: met duim en vinger instampen. Vgl. Verder Ndl. Wdb. VI, 1980; fr. inculquer, seriner qqch à qqn; hd. einem etw. eintrichtern, einpauken, einfuchsen; eng. to beat a th. into a p. (or into a p.'s mind, head).

1359. Lekker is maar een vinger lang,

d.w.z. men proeft iets lekkers slechts zoolang het op de tong ligt, die ongeveer een vinger lang is; daarna: alle genot is kortstondig. Zie C. Wildsch. IV, 309: Lekker is een vinger lang, zegt het spreekwoord, en 't is de waarheid; Tuinman I, 99: Lekker is maar een vinger lang, als het lekkere door 't keelgat is, heeft het geene smaakkelykheid meer, omdat die maar is in den mond, op de tong en 't gehemelte; Harreb. I, 50: Zuinig, zei besje, lekker is maar een' vinger lang; Villiers, 72. Van gelijke beteekenis was een haalkan (fri. healkanne, twee mingelen) is ras uit (Tuinman II, 49). Vgl. voor deze bepaling van maat mnl. vingermael, duummael, de lengte van een duim, en ook in het Grieksch πινωμεν τι τα λυχν ομμepsilon;νομεν; δακτυλος αμερα, laten we drinken! wat wachten we op de lichten! de dag is nog maar een vinger lang (eig. breedZie Alcaei fr. 44 Anthologiae lyricae5 (= fr. 41. Poetarum lyricorum ed. Bergk. Hiller1); mededeeling van Dr. Alb. Poutsma, die er mij op wijst, dat ook elders, o.a. bij Aristophanes, Ranae, vs. 91 en Quintilianus 11, 3, 126, uitdrukkingen voorkomen, waarin een lengtemaat gebruikt wordt voor zaken, die men gewoonlijk anders meet.). In het oostfri. smâk is 'n finger lank; zie Dirksen I, 95, waar uit Freidank wordt aangehaald: diu beste spîse, der beste tranc, der suëze wert niht spannen lankZie H. Beckering Vinckers in Tijdschrift 39, 148, die ‘lekker’ als mannelijk lid verklaart..

2396. De vingers jeuken mij,

d.i. ik gevoel grooten lust tot vechten of tot schrijven, hetzelfde als de handen jeuken mijJeuken is eigenlijk een onaangenaam prikkelen, dat tot krabben verlokt; bij overdracht een sterk verlangen, dat bevredigd wil worden.; zie no. 786; 1709; Huygens, Zeestraet, vs. 99:

 Der dingen is soo veel die 'k vinde te beschrijven,
 Dat hoe 'k meer onderneem, hoe 'k min sie te bedrijven.
 Mijn hand joockt niettemin.

Van Effen, Spect. VII, 181: Een partytje ombre, of quadrille, 't eerste voorwerp van de ordinaire societeiten, en daar onzen Heer mogelyk de vingers naar jeukten; Harreb. II, 381 a; Braga (ed. 1863), bl. 345; Mgdh. 272: Zijn vingers jeuken om te slaan; fr. les doigts me démangent; hd. die Finger jucken mir; eng. my fingers itch. Ook zeide men de ooren jeuken mij naar iets; vgl. II Tim. 4, vs. 3, kantt.: Hebbende een herte ende ooren, die jeucken nae wat nieuws ende vremts, waar de tekst heeft ketelachtich zijnde; in de 16de eeuw bij Sart. II, 3, 76: sijn voeten jeucken hem weder, de his qui denuo sollicitantur ad subeundum periculum; enz. Zie Ndl. Wdb. VII, 281-282.

2397. Geen vinger in de asch (of de aarde) kunnen steken,

niet het minste of geringste kunnen doen; eene herinnering aan den tijd, toen er geen kachels maar open haarden waren, zoodat een kind zeer gemakkelijk een vinger in de asch kon steken (vgl. asschepoester). De uitdrukking dagteekent dan ook uit de 16de eeuw, blijkens Sart. I, 2, 20: Wy mogen niet een vinger in de Assche steken, wy hebben altijt de Lever gegeten; II, 7, 19: hy steeckt niet een vinger in d'assche buyten hem, ubi quis de minutissimis etiam rebus aliquem crebro, nimiumque diligenter consulit; III, 10, 29: Daer wert niet een vinger in d'assen gesteken, of hy weet het; Tuinman I, 159: Men mag niet een vinger in de assche steken, de meening is, niet het allerminste doen, of het word geweten; D. Meyd.S.v. Rijndorp, Derde Meydag of Verhuystijd, kluchtspel, 's-Gravenhage, 1708. 16: Geen vinger wiert in d'aard gestooken of het wiert voort van haar gerooken, C. Wildsch. III, 23: Mensch! wij kunnen geen vinger in de asch steeken, of hij wil het weeten; W. Leevend, II, 127; Harrebomée I, 21; Nest, 11: Niemand in de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij; B.B. 9: Ik kon geen vinger in de asch steken of mijn zeevader stond klaar mij te corrigeeren; Het Volk, 17 Sept. 1913, p. 8 k. 1: Mij om opheldering te laten vragen door het eerste het beste jonge broekje in de Partij, als ik een vinger in de asch steek, daar pas ik voor; Molema, 15: hij duurt (durft) gijn vinger in de aske steken, moet anderen steeds naar de oogen zien; fr. men kin gjin finger yn 'e yeske stekke. Ook in Zuid-Nederland: ge kunt geenen vinger in de assche steken, of hij weet het, men mag niet het minste doen, of hij bemoeit er zich mede (Antw. Idiot. 1550; Waasch Idiot. 81).

2398. Den vinger op den mond leggen,

d.i. zwijgen, den mond toehouden, afsluiten, hetzelfde als de hand op den mond leggen (no. 794); eene sedert de 17de eeuw voorkomende zegswijze, die o.a. wordt aangetroffen bij Paffenrode, 97: 'k Sal de vinger op de mond leggen en swijgen, vertel jy maer voort; Vondel, Roskam, 63: Dies acht men hem voor wys, die vinger op den mond leyt; Harrebomée II, 97 a. In het fr. mettre le doigt sur la bouche, pour faire signe de garder le silence; hd. den Finger auf den Mund legen (Wander I, 1020); eng. to put one's finger to one's lips. Vgl. no. 1538.

2399. Den vinger op de wond (of een wonde plek) leggen,

d.i. de wonde plek aanwijzen (dit o.a. in Nkr. III, 18 Juli p. 2); bij overdr. precies zeggen, waar een gebrek schuilt; ook de rotte plek aanwijzen; vgl. het fr. mettre le doigt sur un objet, toucher précisément l'objet qu'on cherche; mettre le doigt sur la difficulté ou sur la source du mal, sur la plaie (Hatzf. I, 773); hd. den Finger auf etwas legen; eng. to put the finger on the sore spot, on the real blot (Prick); vgl. W. Leevend III, 65: Dat zyn onopspraakelyke lieden! heden, er is geen vinger op te leggen; V, 271; C. Wildsch. I, 291; II, 17; III, 72; IV, 195: Eene zo braave familie, daar geen vinger op te leggen is (eig. bij wie geen kwaad is aan te wijzen); Busk. Huet, Litt. Fant. en Krit. I (anno 1881), bl. 42: Staat het vrij, den vinger te leggen op zijne (Cats') nulliteit, men zou ook in verzoeking kunnen komen het noodlot aan te klagen, dat hem, in stede van een bloedigen en roemrijken dood, slechts een rustigen ouden dag op Sorgh-Vliet gunde; De Arbeid, 25 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Het zou ons te ver voeren op alle leugens en verdachtmakingen den vinger te leggen; Handelsblad, 12 Aug. 1913, p. 6 k. 2: Dit fijne diplomatieke antwoord moet een glimlach te voorschijn roepen om de lippen der Europeesche diplomaten, wijl de grootvizier daardoor den vinger legt op de wonde plek in de eenheid der mogendheden; Nw. School II, 73: Ik moet veronderstellen dat de heer V. Vliet iets bedoeld heeft, toen hij deze zinnetjes schreef; ik denk zooiets als het leggen van een vinger op een wond, met permissie; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 3 k. 2: Bij de bespreking der woningwet, heeft hij den vinger gelegd op enkele wonde plekken; vgl. ook Het Volk, 7 Febr. 1914, p. 5 k. 1: In een van hartstocht trillend en van liefde voor den werkman blakend betoog heeft hij een der grootste wonde plekken in onze samenleving blootgelegd; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hier werd terecht de vinger gelegd op een gapende wonde, waaraan onze volkskracht doodbloeden konde; De Telegraaf, 29 Maart 1915, p. 7 k. 3: Ondeugend legt hij toch den vinger op de zeere plek; Afrik. hy het die vinger op die wond gelê.

2400. De (of zijne) vingers (of zich) branden,

‘zich (onwetend) aan iets vergrijpen en daarvoor boeten, zich door onvoorzichtigheid in moeilijkheden wikkelen, zich bedrogen vinden in een koop, tegen de wet handelen’Ndl. Wdb. III, 1077; V, 1782.; hetzelfde als het lat. sibi asciam in crus impingere; zich in de vingers snijden (Diamst. 138; Het Volk, 8 Juni 1914, p. 8 k. 2); zijne handen of zich de handen branden (zie Lichte Wigger, 10 r; Boere-kermis, 232In Zuid-Nederland (ook dial. in Noord-N.) beteekent ‘zijn hand of zijn vingers (ver)branden,’ iets dat een ander toebehoort, bij vergissing nemen. Vgl. Giertje Wouters, 1: Ick docht al soetjes Peetemarry, soo en barn ick mijn hant niet. Gewoon in kaartspel, wanneer iemand een slag neemt, die hem niet toekomt (Teirl. II, 12).; in de 17de eeuw zijn gat schrapen; bij Tuinman I, 310: zijn aars krauwen. Vgl. Van Effen, Spect. IV, 15; Halma, 91: Zig branden, zijne handen branden, zig ergens in bedrogen vinden; Sewel, 140: Zyne vingers branden, to burn one's fingers; zyne handen branden, zich bedroogen vinden in een koop; Harreb. II, 381; III, 14; Kmz. 308; 350; 375; Kalv. I, 12: Neem een goeie raad van mij aan..... Hou je handen er àf..... je brandt je; Dievenp. 121: De hoofdpersoon zorgde wel dat hij z'n vingers niet schroeide; Nw. School I, 103: Echte papieren paedagogen, die voor een klas gezet worden, waar ze zich dan geregeld de kromgeschreven vingers branden; VIII, 388; Joos, 73: in zijn eigen vinger snijden, tegen zijn eigen belang handelenIn Zuid-Nederland zegt men dit ook van iemand die een wind gelaten heeft; zie Antw. Idiot. 1140; Waasch Idiot. 714; Harreb. II, 381 b.; fri. yen yn 'e fingers fege; fr. s'échauder; se brûler les doigts, sa culotte, ces fesses; eng. to burn (or to cut) one's fingers; hd. sich die Finger verbrennen, ook sich den Mund verbrennen, zijn mond voorbij praten; sich schneiden, zich vergissen (Borchardt, 1053).

2401. Vinger en duim likken naar iets,

sterk verlangen, watertanden naar iets lekkers, vooral gezegd van iets begeerlijks, dat niet te krijgen is (uit ongeduld steekt men onwillekeurig een vinger in den mond). Vgl. Campen, 22: Daer solde ghi wel al u vingeren nae licken, dat is lang niet te versmaden, zeer begeerlijk; Hooft, Brieven, 2, 67: Rijnsch zap, daer de lekkertanden gewoon zijn hunne vingers nae te slikken; 3, 226: Uwer E. gebeuren nu daeghelijx zoodane versnaeperingen, daer wy hier de vingers nae lekken; Tuinman I, 109: Hy zal' er noch vinger en duim na lekken, dit wordt toegepast op zulke, die nu spyze versmaaden, die zy daar na wel voor lekkerny zouden houden, als hen die gebeuren mogt. Zo zegt men ook: Hy zal' er noch na opspringen, dat van de honden genomen is (zie Ndl. Wdb. XI, 1237); Harreb. I, 160; Lev. B. 94: Nou waren 't skellevissies om d'r vinger en duim na te likke; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 1: Tijdens de jongste debatten over de loonregeling heeft dan ook zeer terecht een der christelijke raadsleden opgemerkt, dat heel wat arbeiders uit de particuliere bedrijven er (pensioen) met vinger en duim naar likken.

2402. Hij zal er zijne vingers niet aan blauw tellen,

d.i. zijne vingers zullen niet blauwOmdat metalen altijd eenigszins (blauw) afgeven. Vgl. den spotnaam blauwvingers voor de Zwollenaars (Driem. Bl. VI, 77). worden van het geld tellen (17de eeuw: vingeren); hij zal er niets van krijgen. De zegswijze is in de 17de eeuw bekend, blijkens Smetius, 6: De numeratione vel acceptione pecuniae alterius, daer hebb' ick alleen blauwe handen van; Gew. Weeuw II, 51: G. 'k Meende, ten minsten vijf en twintig gulden daar voor te trekken: thien schellingen! 'k kan 't niet dulden. J. Zo doenden zal ik 'er mijn vingers ook niet blouw aan tellen; Coster, 515, vs. 599; V. Loon, 88; Paffenr. 91: Ik wed dat hy in lang aen mijn penningen sijn vingers niet blau en teld; Tuinman I, 95; 323; II, 36; Sewel, 894; Halma, 714: Hij zal zijne vingers niet blauw tellen aan dat geld, hij zal er niets van hebben, il ne se salira pas les doigts de cet argent; Ndl. Wdb. II, 2794; O.K. 179: Maar Barend Witte gun ik die duiten niet, hij zal er zijn vingers niet aan blauw tellen; Jong. 185: Jelui zal je vingers niet blauw telle..... want 't zal wat weze as 't voor de heere komtZie voor dit gezegde Ndl. Wdb. VI, 337.. Vgl. hiermede: daar zal hij geen vette vingers van likken, daar zal hij niet van smullen (Ndl. Wdb. I, 1160; Tuinman I, 98); hij zal daar niet aan lekken, hij zal daar niets van krijgen (Tuinman I, 323) en hij kan zijn mond afvegen, eig. ‘hij kan zijn mond afvegen, evenals de anderen doen, nadat zij genoten hebben, maar het genot zelf valt hem niet ten deel’ (Ndl. Wdb. I, 1741); Gunnink, 107: hij zal hem daar niet aan beslabben (bemorsen); Zuidndl. hij mag op zijn kin kloppen (Antw. Idiot. 1812); vgl. fr. il n'a qu'à s'en lécher les barbes (ou le bec); hd. er kann sich's Maul (oder den Mund) wischen. Zie no. 2136.

2403. Geeft men hem den vinger, dan neemt hij de geheele hand,

d.i. hij maakt op onbescheiden wijze gebruik van hetgeen hem wordt toegestaan; hij is nooit te voldoen (Ndl. Wdb. V, 1751). Vgl. mlat. cum servo nequam palmus datur, accipit ulnam; Servilius, 73: gheefdy eenen den vinger, so wilt hi de geheele hant hebben; Idinau, 213:

 Gheeft haer den vingher, sy neemt de handt;
 Dat komt van te veel toe te gheven.
 Som treckent al naer haeren kant,
 Deur een toe-laeten so gedreven;
 Ghespeckte handen over-al aen-kleven.

Cats I, 521; Gew. Weeuw. II, 21; De Brune, 228: Wanneer ghy hem de vingher biet, hy wilt de vuyst en minder niet; Tuinman I, 167: Geeft men hem den vinger, hy grypt naar de geheele hand ‘dit zegt men van stoute, onbeschaamde, en onvergenoegbare menschen, die ymands goedheid en mildheid misbruiken, en inpalmen zo veel zy konnen’; C. Wildsch. I, 99: Geef mij den vinger dan neem ik de heele hand; W. Leevend III, 37; VI, 18: Geeft men hun den duim dan willen zij er de vingers nog bij hebben; Adagia, 1: Als men hem den Vinger geeft, dan neemt hy d'heele handt, quam par est, plus vult quam licet; Harreb. I, 276 a; III, 213 b; Prikk. V, 21; Dsch. 165: As me se de vinger geeft, dan neme ze de beide hande; hd. giebt man ihm den kleinen Finger so nimmt er die ganze Hand; eng. give him an inch, and he 'll take an ell; fr. si on lui en donne un pouce il en prend long comme le bras; si vous lui donnez un pied, il en prendra quatre; fri. as min him de finger jowt, nimt er gau de hiele hân; Schuermans, 601 b: geeft men een voetje, men pakt een schreedje of geeft men een hand, men pakt den heelen arm; in het Antw. Idiot. 1377: eerst e lid van 'ne(n) vinger, en daarna heel de hand; afrik. gee 'n man die pinkie, dan vat hy die hele handBij Hooft, Ned. Hist. 83: De gemeente gewoon tlijf in te hooren daar zij den vinger krijgt..

2404. Lange (of kromme) vingers hebben,

d.i. zijne vingers te ver uitsteken, zijne handen niet voor zich kunnen houden, diefachtig zijn. Vgl. Poirters, Mask. 233: Desen Hovelingh stack sijn vingheren wat te verre uyt; mnl. elcken vingher is hem eenen haeck weert, iedere vinger doet hem den dienst van een haak (Mnl. Wdb. III, 31); Sart. I, 1, 18: wacht u van die krom gevingert sijn, rapacitatem fugiendam docet; De Brune, 219; Tuinman I, 76: Hy heeft kromme vingers, dit zegt men van ymand die diefachtig is, en van zijne vingeren haaken maakt; Adagia, 69; Harrebomée II, 381 b; Ndl. Wdb. VIII, 320; Molema, 229: kromvingerd wezen, kromme vingers hebben, diefachtig zijn; fri. lange fingers hawwe; afrik. lang vingers hê; Joos, 78: hij heeft lange of kromme vingers; De Bo, 1326 b; Antw. Idiot. 745: lange vingeren hebben; Land v. Aalst: zijn vingeren zijn te lang; hd. lange, krumme Finger haben (oder machen); eng. to be (of the) long (or light) -fingered (gentry); fr. avoir la main crochue ou les doigts crochusDr. D.C. Hesseling deelt mij mede, dat men op Lesbos in denzelfden zin zegt: Zijn nagels zijn lang..

2405. Door de vingers zien,

d.i. iets oogluikend toelaten, een oogje toedoen (hd. ein Auge zudrücken), lichte vergrijpen niet al te zwaar laten wegen, iets vergeven, iets overzien (V.d. Water, 116); eig. de hand voor de oogen houden, zoodat men niets of weinig zietTijdschrift XIV, 139 (noot).. In de middeleeuwen dore die vinger sienBrab. Yeesten VI, 4764; Froissart, 123; 550; Reinaert, vs. 4211; enz. naast door den vinger loekenBoerden, X, 42: Die selke loecte doer den vingher, si maeckten hem al willens blent.; zie verder O.O.Z. 72: Isset dat gi ons nu hoort ende doet na onsen raede, soe willewi aldus doen ende spreyden oer vynger voor oer ogen ende spraken; Plantijn: Door de vingeren sien, regarder à travers les doigts, connivere digitis; Bebel, 583: per digitos videre est surda aure et sciens aliquid praeterire; Campen, 102; 39: weel niet can laten voer oren ende oghen gaen, ende doer die vinger sien, die can oock niet regieren; Servilius, 260: connivere, ghi en behoeft gheenen bril, ghi condt wel door de vinger sien; Spieghel, 288; Anna Bijns, Refr. 40; 173; Sart. I, 9, 19; II, 10, 30; III, 7, 4; Vierl, 197; Tijdschrift XIV, 140; Poirters, Mask. 170; Idinau, 34:

 Deur de vingheren sien, en laten lijden,
 Werdt nu in t' goede, nu in t' quaedt verstaen.
 In t' goedt, om een beter van straffe te mijden;
 In t' quaedt, alsment al on-ghestraft laet gaen.
 Denckt, dat Godts ooghen al gade-slaen.

Vondel, Salomon, vs. 987; Hooft, Ged. II, 404; Pers, 366 a; 625 b; Westerbaen II, 259; Coster, 10, vs. 38; De Brune, Bank. I, 205; Winschooten, 148: Oogluiken, van waar, het geschiede met oogluiking; dat is, men sag het door de vingeren: men dee' sijn oogen toe, en men wilde quansuis het niet sien; Brederoo, I, 101: Men meer nutticheyts uyt de scherpe bestraffinge der vyanden, als door het blinde vingerkijken der vrunden te verwachten heeft; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 40: Hij ziet mijn doen, maar houdt de vingers voor zijn oogen; Van Effen, Spect. VI, 55; C. Wildsch. VI, 217; W. Leevend VII, 14; Tuinman I, 188; II, 111; Adagia, 10; 21; Harreb. II, 381 a; Ndl. Wdb. III, 1375; afrik. jy moet dit maar deur die vingers sien; Waasch Idiot. 714; enz. enz. In het fri. troch de fingers sjên; hd. durch die Finger sehen (Wander I, 1019); oostfri. dör de fingers kiken; de. at see igjennem Fingre med En.

2406. Iemand met een natten vinger kunnen beloopen (of aanwijzen),

‘iemand zeer gemakkelijk en spoedig vinden, binnen den tijd namelijk waarin een natgemaakte vinger droog wordt’ (Ndl. Wdb. IINdl. Wdb. V, 1776., 1745); vgl. het Overijselsche iets met de warme hand overbrengen; fri. nijs (nieuws) mei de waerme hân oerbringe (eig. eer de hand nog koud kan worden?); fr. apporter une nouvelle toute chaude à qqn, terstond iets gaan oververtellen (hd. brühwarm zutragen), het Zaansche: Ze kennen mekaar met een warme pankoek beloopen, ze wonen zoo dicht bij elkaar, dat ze een pannekoek warm van het eene huis in het andere kunnen brengen (Boekenoogen, 729Voor de verwantschap der begrippen warm en dichtbij, aanstonds zie Leuv. Bijdr. X, 95.); op Goeree en Overflakkee: Een vrouw en een paard moet je met een brandende pijp kunnen beloopen, d.i. je moet ze niet te ver zoeken, niet verder dan je loopen kunt, terwijl je een pijp tabak uitrookt (N. Taalgids XIV, 253). In de 17de eeuw is de uitdr. algemeen bekend; zie Lichte Wigger, 4 v: Men souse misschien wel met een natte vinger beloopen, die de waarheid soo lieff hebben, dat syse te veel sparen; Coster, 503, vs. 184; Asselijn, 280; Van Moerk. 366; verder P. 't Hoen, de Vrije Schouwburg (anno 1790) I, bl. 3: Ik wil wel gelooven, vrouw, dat men met een natte vinger wel zulke gedrogten (rijken, die groote bestellingen doen en niet betalen) zou kunnen vinden; Tuinman I, 281; Sewel, 894: Ik zou dien het gedaan heeft wel met een natte vinger opzoeken, he that did it is not far off; Halma, 714: Men kan hem wel met eenen natten vinger beloopen, hij is hier heel digt bij; Harreb. II, 382 a; Ndl. Wdb. IX, 1582; Antw. Idiot. 1377; eng. to fetch a person with a wet finger (verouderd); nd. man kann 't mit en natten Finger aflôp'n (Eckart, 116Bij Marnix, Byenc. 109 v en 122 r komt voor iemand als met een natten vinger aanwijzen, in den zin van iemand van dichtbij, dus zeer duidelijk, als met een vinger (Van Effen, Spect. XI, 107) aanwijzen. De uitdrukking is nog niet geheel verouderd; zie Ndl. Wdb. I, 481; IX, 1582.).

2407. Hij is met een natten vinger te verleiden (of over te halen),

d.i. hij is zeer gemakkelijk te verleiden, te lijmen met zooveel kleefstof als een natte vinger heeft; vgl. Bormeester, Nieuwsg. Aegje, 27: Men kan mey ligteleyk aan een nette vinger kleeven; Handelsblad, 7 April 1914 (avondbl.), p. 10 k. 3: Het karakter van den schreeuwenden demagoog, die het volk opruiend, met een natten vinger door den vorst en zijn omgeving mee te krijgen is, lijkt ons al te grof naïef geteekend. Te vergelijken zijn de uitdr. bij Schuermans. 814 b: met natte vingers te verleiden, zonder moeite te verleiden; Tuerlinckx, 694: iemand be inne natte vinger lää, iemand licht beheerschen; hij is met een strootje te verleiden; Land v. Waas: u met 'nen twijndraad laten leeden, in alles gehoorzaam zijn; zich licht laten medesleepen (Waasch Idiot. 668 b); Rutten, 260: als ik mijnen vinger nat maak, blijven er wel zeven aan hangen, ik kan vrijers genoeg krijgen, welk gezegde herinnert aan onze zegswijze aan elken vinger wel een vrijer kunnen krijgen; zie Smetius 176; Coster, 545 vs. 1553; C. Wildsch. III, 74; 146; Falkl. VII, 69: D'r benne méér jonges op de wereld - an elke vinger tien!; Menschenw. 50: Die tochtige maide:.... an ieder vinger d'r ein; Jord. II, 10: Asje wil.... an iedere vinger heb jij.... jij tien vrijers.

2408. Iemand met den vinger nawijzen,

d.i. eene uitdrukking ter aanduiding van de minachting, welke men voor iemand gevoelt; vroeger ook ter aanduiding van de aandacht en bewondering welke iemand wekt; mnl. met vingers nawisen, - naerwisen; metten vingeren wisenMnl. Wdb. IV, 2121; 2231; Rein. II, 7096; Sp. Hist. l7, 2, 19; Cauchy II, 1704., hetzelfde als iemand met den vinger aanwijzen, op hem wijzen als op iets buitengewoons, dat bijzonder de aandacht verdient; meest in ongunstigen zin van iemand gezegd die zich zonderling of buitensporig gedraagtNdl. Wdb. I, 481.; zie Huygens I, 275: Wij zien, wij hooren niet dan vinghering en smaed; Brederoo I, 28, 399: Waar dat se my iens sien, sy wysen my na met vingheren; Tuinman I, 310: Met den vinger aanwijzen, dit geschied tot bespotting; C. Wildsch. I, 168: Als ik u verzeker, dat ieder u den kap vult, dat men u bespot, met vingers nawijst, gelooft gij dat dit alles uwe moeder niet verdrietelijk is? V. Janus, III, 151; vgl. verder Erasmus, CXIX; het lat. digito (de)monstrare, designare aliquemOtto, 116; Journal, 125; Archiv, XIII, 380.; hd. mit Fingern auf einen weisen; fr. montrer qqn au doigt, signaler au mépris public; eng. to point (the finger) at a p.; fri. immen mei de finger neiwîze.

2409. Iemand om den vinger kunnen winden,

d.i. iemand geheel in zijne macht hebben en met hem kunnen handelen naar welgevallen, evenals men een doekje om den vinger windt (Harreb. II, 381 b). De uitdrukking komt in het mnl. voor in de Ovl. Ged. I, 83 vs. 749: Al dustenege wijf machtu leren ende om dine vingher keren; vgl. verder Sart. I, 8, 3: Auricula infima mollior est, ghy soudt hem om u vinger winden; nostrates a sic lenta re sumunt paroemiam, ut vel circum digitos inflecti possit; II, 9, 17; III, 3, 11; De Brune, 464; Van Moerk. 286: Zy worden zoo gedwee, omje vinger kenjeze winden; Van Effen, Spect. VI, 152: Een beroemd overvlieger, die hem om de vinger kon winden en daar hy banger voor was als voor den drommel; Tuinman, I, 328: Hy kan hem om zyn vinger winden, dat is, hy heeft hem 't eenemaal onder zyn gezag en geweld, en kan met hem handelen naar zyn welgevallen, zonder eenigen wederstand; gelijk men een doekje om den vinger wind; Adagia, 26: Gij soudt hem om u vinger winden, auricula infima mollior est; Harreb. II, 381; Twee W.B. 15; Groot-Nederland, 1914, bl. 395: Met 'n flesch wijn, 'n mep gebraje worst en wat zuurkool, kan je me om je pink winden; fri. immen om 'e (lytse) finger wine of woelje kinne hetzelfde als min kin hem wol yn in fodtsje biteare; oostfri.: hê kan hum um sîn lütje finger wikkeln (Ten Doornk. Koolm. I, 484 b); hd. jemand um den (kleinen) Finger wicklen können; Joos, 78 en Antw. Idiot. 1377: ik kan hem rond (of om) mijnen vinger winden; Rutten, 58 b: iemand rond zijnen duim kunnen draaien gelijk men wil; vgl. ook het fr. comme des crêpes sur la poêle, homme est tourné par femme (De Cock2, 61); eng. to twist or turn a person round one's (little) finger; afrik. iemand om jou pinkie of vinger draai.

2410. Op zijne vingers kunnen narekenen (of natellen),

d.w.z. zeer gemakkelijk kunnen nagaan; eig. eenvoudig door middel zijner vingers en niet door berekeningen op papier. Vgl. Potgieter II, 272: Zijne zusters die op de vingers natellen, hoeveel grooter haar uitzet zou zijn geweest; Nederland, Juni 1914, p. 202: Maar dat je op je vingers kon natellen dat er de helft niet van aan was; De Arbeid, 26 Dec. 1914 p. 3 k. 2: Dat door hem alles zou gedaan worden om deze smerige zaak te bemantelen, kon een ieder van te voren wel op zijn vingers natellen; fri. it is wol op 'e fingers nei to tellen; hd. man kann es an den Fingern abzählen.

2411. Iemand op de vingers tikken (of geven),

d.i. hem licht berispen, hetzelfde als ‘iemand op de kneukels kloppen, hem wederhouden en straffen, wanneer hy zich te veel aanmatigt, of zyne handen te verre wil uitsteken’ (Tuinman II, 148; Joos, 73) of iemand op den duim kloppen (Hooft, Tacitus Jaarb. 140; Tuinman I, 328); in Zuid-Nederland: iemand op zijn duimen kloppen, hem duchtig hekelen, wederleggende beschamen; ook: iemand doen betalen; syn. van iemand op zijn kneukels tikken (zie Antw. Idiot. 384; De Bo, 277; Teirl. II, 151). Vgl. C. Wildsch. V, 124: Als mijn conscientie mij geen rust laat, voor ik eens eene hoogwelgeboren vrouw wat op de vingers getikt heb, die het wat al te erg maakt, omtrent lieden van geen geboorte; bl. 132: Dit is de reden dat ik u, die ik zo hoog acht, bij alle gelegenheden zo plaag, kwel en op de vingertjens tik; evenzoo in II, 210; V, 219; VI, 2; W. Leevend, II, 151. In W. Leevend, I, 324: op de vingers krijgen; I, 26: iemand op de vingeren kloppen; V, 66; 114: op de vingeren geeven; Janus, 42: op de kneukels krijgen; C. Wildsch. V, 308: op de handen tikken; afrik. iemand op die vingers tik; fr. donner sur les doigts à qqn; hd. einem auf die Finger klopfen (Grimm III, 1656); eng. to rap a person's knuckles; to get upon the finger-ends (verouderd).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal