Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vinden - (aantreffen; tot een overtuiging komen, oordelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vinden ww. ‘aantreffen; tot een overtuiging komen, oordelen’
Onl. findan ‘aantreffen’ in in ne fant ‘en ik vond hem niet’, daga folla fundona [uuerthunt] an im ‘mogen de dagen vol in hen worden aangetroffen’ [10e eeuw; W.Ps.], iof ich eynech sinro spore muga uindan ‘of ik enig spoor van hem kan vinden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vinden, ook ‘tot een overtuiging komen door beproeving of onderzoeking’ in die sider gants uonden werd ‘die daarna gezond verklaard is’ [1236; VMNW], fijn Uant si sijn herte ‘ze vond zijn hart zuiver’ [1265-70; VMNW], ‘ondervinden, bereiken’ in Wat gracien gi hebbet uonden ‘welke genade u heeft ondervonden’ [1265-70; VMNW].
Os. findan (mnd. vinden); ohd. findan (nhd. finden); ofri. finda (nfri. fine); oe. findan (ne. find); on. finna (nzw. finna); got. finþan; < pgm. *finþan-, met regelmatige stamtijden *fanþ-, *fundun-, *fundan-. De grammatische wisseling, die normaal gesproken alleen plaatsvond in de derde en vierde stamvorm, is in het West-Germaans ook doorgedrongen tot de eerste twee. De betekenis ‘vinden, aantreffen’ is algemeen West- en Noord-Germaans. On. finna betekent ook ‘bezoeken, waarnemen’ en got. finþan betekent ‘herkennen, ondervinden’.
Daarnaast staat ablautend het zwakke ww. pgm. *fandōn-: mnl. vanden ‘beproeven, bezoeken’; os. fandon ‘opzoeken’ (mnd. vanden, vannen); ohd. fantōn ‘onderzoeken’ (nhd. fahnden); ofri. fandia ‘bezoeken’ (nfri. fandelje ‘inzamelen, samenrapen’); oe. fandian ‘onderzoeken’.
Men neemt meestal aan dat pgm. *finþ- < *fenþ- teruggaat op de wortel pie. *pent-, die ‘gaan, arriveren’ zou betekenen, zie → pad 1, of ‘de weg vinden’ (LIV 471). De veronderstelde betekenisontwikkeling ‘arriveren’ > ‘naar iemand toegaan, bezoeken’ > ‘opzoeken’ > ‘aantreffen’ is vergelijkbaar met die van Latijn invenīre ‘vinden’, letterlijk ‘in-komen’ en Oudkerkslavisch na-iti ‘vinden’, letterlijk ‘toe-gaan’. Een bezwaar hiertegen is dat deze wortel in de andere Indo-Europese talen tot geen enkel primair werkwoord heeft geleid: de verwante woorden betekenen alle ‘weg, pad, doorgang, brug e.d.’, bijv. Latijn pōns (genitief pontis) ‘brug’, Grieks póntos ‘zee’. Het sterke ww. zou dan in het Germaans van de nominale stam gevormd zijn.
Anderen gaan uit van een genasaleerde vorm van de wortel pie. *pet(h2)- ‘vliegen, vallen’ (LIV 479), waartoe o.a. Latijn petere ‘zich begeven, bezoeken, verlangen’ behoort, dat goed met de Germaanse betekenissen te vergelijken valt. Het ontbreekt echter aan andere Indo-Europese vormen met nasaalinfix, die deze aanname zouden kunnen ondersteunen.
De basisbetekenis ‘aantreffen (van iets wat of iemand die gezocht is)’ is in de loop der tijd onveranderd gebleven. Van de vele afgeleide en overdrachtelijke betekenissen die vinden in het Middelnederlands heeft gekend, is ‘oordelen, van mening zijn’ als belangrijkste overgebleven in het hedendaags Nederlands. Sommige andere zijn nog terug te zien in afleidingen, bijv. bevinden ‘ervaren, te weten komen’ (reeds onl.), zich bevinden ‘aangetroffen worden’, ondervinden ‘gewaarworden, ondergaan’. Zie ook → vondeling en → vonnis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vinden* [aantreffen] {oudnederlands findan 901-1000, middelnederlands vinden} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels findan, oudfries finda, oudnoors finna, gotisch finþan, van een stam met de betekenis ‘door of over komen’, vgl. latijn pons (2e nv. pontis) [brug], grieks patos [pad], oudpruisisch pintis, avestisch pantå, oudindisch panthāḥ [weg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vinden ww., mnl. vinden, onfrank. findan, os. fīthan, findan, ohd. findan (nhd. finden), ofri. finda, oe. findan (ne. find), on. finna, got. finþan. — Daarnaast staan abl. mnl. vanden ‘beproeven, bezoeken’, os. fandon ‘op de proef stellen, bezoeken’, ohd. fantōn ‘onderzoeken’ (nhd. fahnden), ofri. fandia ‘bezoeken’, oe. fandian ‘onderzoeken, op de proef stellen’ en met nultrap: os. fundon, ohd. funden, oe. fundian ‘gaan naar, streven, zoeken’. Verdere afleidingen zijn: mnl. vende, vinde, vinne, mnd. vinne v. ‘pion in het schaakspel’, ohd. fendo m. ‘voetganger, voetknecht’, oe. fēða ‘troep’ en het bnw. ohd. funs, os. oe. fūs, on. fūss ‘bereidwillig, vaardig’ (indien uit germ. *funþsa of *fundsa-). — lat. pons ‘brug’, gr. póntos ‘zee’, pátos ‘pad’, oi. pánthās ‘pad’, pathyā ‘weg’, osl. pątǐ ‘weg’, opr. pintis ‘weg’, arm. hun ‘voorde’ van de idg. wt. *pent- ‘treden, gaan; aantreffen, vinden’ (IEW 808-809). — Zie ook: vonder.

Voor de dialectische vormen van vinden, wat de vokaal aangaat, maar ook de assimilatie vorm vinnen zie J. van Ginniken, Taaltuin 2, 1933, 26-8 en taalkaart 3, 1934-5. 315.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vinden ww., mnl. vinden. = onfr. ohd. findan (nhd. finden), os. fîthan, findan, ofri. finda, ags. findan (eng. to find), on. finna, got. finþan “vinden” (en verwante bett., got. speciaal “vernemen”). In het Oergerm. met gramm. wechsel þ: ð. = ier. êtaim “ik vind” (? ?). De bet. “vinden” gaat misschien op “komen bij” terug (vgl. lat. in-venîre “vinden”) of veeleer op “doortrekken, doorvorschen” (vgl. de hieronder genoemde germ. verwanten en ervaren: ohd. ir-faran “doorreizen, doorzoeken, bereiken”) en dan moeten wij van een basis pent(h)- “gaan” uitgaan, waarvan ook komen: ohd. f endo m. “voetganger, voetknecht”, mnl. vende, vinde, vinne, mnd. vinne v. “pion in ̓t schaakspel” (mhd. vende m. “id.”), ags. fêða m. “troep”, ohd. fantôn “onderzoeken” (nhd. fahnden), os. fandon “op de proef stellen, bezoeken”, mnl. vanden (nog dial.), ofri. fandia “bezoeken”, ags. fandian “onderzoeken, op de proef stellen”, ohd. funden, os. fundon, ags. fundian “gaan naar” (ook “streven, zoeken”), ohd. funs, os. ags. fûs, on. fûss “bereidwillig, vaardig” (*funðsa-> *funsa-); buiten ̓t Germ. lat. pons “brug”, gr. póntos“zee”, pátos “pad, tred”, obg. pątĭ, opr. pintis “weg”, arm. hun “id., doorwaadbare plaats”, ot. pánthan-, path-, pathí- “weg, pad, baan”. Zie vonder.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vinden o.w., Mnl. id., Onfra., Os. findan + Ohd. id. (Mhd. vinden, Nhd. finden), Ags. findan (Eng. to find), Ofri. finda, On. finna (Zw. id., De. finde, Go. findan: Germ. wrt. finđ en wrt. finþ, Idg. wrt. pent = doortrekken: Skr. panthās, Gr. pátos, Osl. patĭ, Opr. pintis = weg, Gr. póntos = zee, Lat. pons = brug. Voor de ontwikkeling der bet. vergel. onze uitdrukking er op komen en Lat. invenire.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vinde (ww.) vinden; Aajdnederlands findan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vinden (vond, heeft gevonden), (ook:) verkrijgen, bemachtigen. Om zes uur ging de moeder de bus pakken. Pas om halfzeven vond ze er één (Dobru 1967: 33). Ik ben gaan jagen, maar ik heb niets gevonden (mond.). Ik heb de dief ingehaald en mijn fiets weer gevonden.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vinden (zich -- in) (Duits sich finden in)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vinden ‘aantreffen; van mening zijn’ -> Negerhollands vind, fēn, fin ‘aantreffen’; Berbice-Nederlands fende ‘aantreffen’; Sranantongo feni ‘van mening zijn, verloren voorwerp weer terugvinden’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans fende ‘aantreffen’; Saramakkaans féndi, féni ‘aantreffen’ ; Surinaams-Javaans féni ‘van mening zijn’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vinden* aantreffen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2605. Een goed woord vindt altijd eene goede plaats,

d.w.z. ‘met beleefdheid of vriendelijkheid krijgt men eerder iets gedaan dan met onvriendelijkheid’. Zie Campen, 21: een guedt woort vyndt een guede stede, het scadet ia niemant ende nuttet yederman; Spieghel, 279: een ghoet woort vint een goe ste; Kluchtspel II, 110: Ien goet woort, heb ick wel 'ehoort, neemt altijt ien goê steê; De Brune, 100:

 Een goed woord, wel te voor bezint,
 Altijds een goede plaetse vint.

Tuinman II, 208: Goede groet maakt goede andwoord; een goed woord vind een goede steê, beleeftheid verwekt beleeftheid. Licht men den hoed af voor ymand, men verplicht hem om dat weder te doen. Andersins haalt het eene woord het andere uitZie dit bij Spieghel, 279; Mergh, 32; De Brune, 476: Het eene woord lockt tander uyt; Tuinman II, 212; Besteedster, 25; Harreb. II, 480 b; V. Janus, 311; Lev. B. 121; Telegraaf, 29 Dec. 1923 (O) p. 5 k. 6; hd. ein Wort gibt (holt) das andre; eng. one word draws on another.; Harreb. II, 186 b; Suringar, Erasmus, CXC; Joos, 148; Eckart, 575; Jahrb. 38, 162; Wander V, 122; 403: ein gutes Wort findet einen guten Ort oder eine gute StattZeitschrift f.D. Wortf. IX, 309.; eng. a good word is never out of season; kind words go a long way; deensch: godt ord finder et godt stedt; zweedsch: god ord finna god rum; fr. jamais beau parler n'écorcha la langue.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut