Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vilt - (soort stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vilt zn. ‘soort stof’
Mnl. vilt in van den honghevaerweden dat men eet dicken vilt ‘van het ongeverfde dat men dikke vilt noemt’ [1288-1301; VMNW]. Eerder al het nomen agentis vilter ‘viltbereider’ bij het werkwoord vilten ‘vilt bereiden’, als toenaam van pauwels de viltre [1270-91; VMNW].
Os. filt (mnd. vilt, en door ontlening nzw. filt); ohd. filz (nhd. Filz); nfri. filt; oe. felt (ne. felt); < pgm. *feltaz-, *filtaz-. Een Oudhoogduitse meervoudsvorm *filtir (< *filtizō) is in het middeleeuws Latijn opgenomen als filtrum ‘(vilten?) lappendeken’ [8e eeuw; Lloyd/Lühr], ‘zeefinstrument (uit vilt)’ [1235; TLF], zie verder → filter. Ook Oudfrans feltre [eind 11e eeuw; TLF], fautre [eind 12e eeuw; TLF] (Nieuwfrans feutre) is hieraan ontleend.
Wrsch. verwant met: Latijn pilleus ‘vilten hoed’ (zie ook → pool 2); Grieks pĩlos ‘vilt, vilten kledingstuk’; Proto-Slavisch pĭlstĭ ‘vilt’ (Russisch pólost ‘dekkleed’, Tsjechisch plsť, Bulgaars plăst); Albanees plis ‘vilt; vilten hoed’; maar een eenduidige Indo-Europese reconstructie is moeilijk. Misschien betreft het leenwoorden uit een onbekende voor-Indo-Europese taal: vilt is namelijk al bekend uit de jonge steentijd.
Voor het Germaans is de voor de hand liggende reconstructie pie. *peld-. Driessen (2004) herleidt ook de Slavische en Albanese woorden (< pie. *pld-ti-) tot deze wortel, die oorspr. ‘stoten, aanstampen’ betekent, of specifieker ‘vilt fabriceren (door aanstampen, samendrukken)’. Dan is ook ohd. falzan ‘vastslaan’ < pgm. *faltan- verwant. Het betekenisverband ligt in de bereidingswijze: vilt wordt vervaardigd door het samenpersen van natgemaakte dierenharen. Grieks pĩlos en Latijn pilleus zijn volgens Driessen niet verwant.
viltstift zn. ‘pen met vilten punt’. Nnl. met pen en inkt, viltstift en zelfs met een stukje hout en zwarte plakkaatverf [1960; Leeuwarder Courant]. Eerder wel al viltpen in vele tekeningen in zwart krijt, gewoon potlood en viltpen [1959; Leeuwarder Courant]. Samenstelling van vilt en → stift in de betekenis ‘schrijfgereedschap’. Viltstiften zijn sinds de jaren 1950 in de handel en zijn genoemd naar de vilten schrijfpunt die ze oorspr. hadden. Vanwege de kwetsbaarheid werd de punt later meestal van kunststof gemaakt, maar de naam viltstift is gebleven.
Lit.: C.M. Driessen (2004), “Towards an Indo-European Term for ‘Felt’”, in: Journal of Indo-European Studies 32, 25-42

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vilt* [stof van haren] {vilt(e), velt 1288} middelnederduits vilt, oudsaksisch filt, oudhoogduits filz, oudengels felt (vgl. aambeeld).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vilt znw. o., mnl. vilt(e), velt o., os. filt, mnd. vilt, ohd. nhd. filz, oe. ne. felt. Daar vilt eig. ‘vastgestampte massa in het vollersproces’ betekent, kan men uitgaan van de onder aanbeeld behandelde idg. wt. *pel ‘stoten, slaan’ (A. Erdmann Skrifter Hum. Samf. Uppsala 1, 1890-2, Nr. 3, 8-12 en IEW 801). — Naast het westgerm. *felta stond ook een es/os-stam *feltir, waaruit werd overgenomen mlat. filtrum ‘lana coactilis’ > fra. feutre.

De woorden lett. spīlêt ‘druk’ en gr. psiloō < *spiloō ‘ontharen’, die J. Schrijnen Ts 20, 1901, 318 hiermee verbinden wil als woorden met s-voorslag, zijn verre te houden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vilt znw. o., mnl. vilt (vilte), velt o. = ohd. (nhd.) filz m., os. filt, mnd. vilt m. (o.?), ags. fëlt (m.? eng. felt) “vilt”. Wegens het vocalisme bezwaarlijk met lat. pilum “haar”, pîleus “vilten hoed of muts”, gr. pĩlos “vilt” te verbinden. Eer als germ. *feltaz-, -iz- of *feltu- met de oorspr. bet. “het gestampte” van de bij aanbeeld besproken basis. Ksl. plŭstĭ “vilt” kan ook hierbij hooren. Voor de bet. vgl. on. flôki m. “vilt” van idg. plâg- “slaan” (zie vlaag). Uit het Germ. mlat. filtrum, it. feltro, fr. feutre “vilt” (zie filtreren).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vilt o., Mnl. id., Os. filt + Ohd. filz (Mhd. vilz, Nhd. filz), Ags. felt (Eng. id.), Zw. en De. filt + Osl. plŭsti = vilt, wellicht ook Gr. pῖlos = vilt. Lat. pilus = haar. Uit het Germ. komt Mlat. filtrum, Fr. feutre.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vèlt (zn.) vilt; Vreugmiddelnederlands vilt <1288-1301>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vilt s.nw. Ook velt.
Saamgeperste, ongeweefde materiaal van wol en houtvesels gemaak.
Uit Ndl. vilt (1562).
D. Filz (9de eeu), Eng. felt (1000).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vilt (de, -en), vilten mannenhoed. Argwanend tastte hij de nabije omgeving af en liet uit een katoenen zak bankbiljetten en andere geldstukken in zijn vilt glijden (Roemer 1976:16). - Etym.: In AN veroud. - Zie ook: banalew*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vilt: – velt – , deureengewerkte wolvesels (veral v. hoede); Ndl. vilt (Mnl. vilt(e)/velt), Hd. filz, Eng. felt, wsk. eerder verb. m. Lat. pellere, “klop, slaan, stamp”, as m. Lat. pilus, Gr. pilos, “haar”, of m. Lat. pileum/pileus/pilleus, “vilthoed, mus”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vilt ‘stof van wol of haar’ -> Deens filt ‘stof van wol of haar’ (uit Nederlands of Nederduits);? Deens dialect filtenbrase ‘garen dat in de knoop zit’; Noors filt ‘stof van wol of haar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds filt ‘stof van wol of haar’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins viltti ‘stof van wol of haar’ ; Ests vilt ‘stof van wol of haar’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans feutre ‘stof van wol of haar’ Frankisch; Pools filc ‘stof van wol of haar’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch vilt ‘stof van wol of haar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vilt* stof van haren 1091-1100 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut