Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vijg - (vrucht van de vijgenboom (Ficus carica))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vijg zn. ‘vrucht van de vijgenboom (Ficus carica)’
Onl. fīga ‘vijg’ in thie bittera figon ‘de bittere vijgen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vige ‘vijg’ [1240; Bern.], vijghen (mv.) [1477; MNW-P]; vnnl. vygen, ook ‘platronde uitwerpselen’ [ca. 1520; WNT].
Ontleend, al dan niet via Oudfrans fige ‘vijg’ [1170; Rey] (Nieuwfrans figue), aan Oudprovençaals figa ‘id.’ [12e eeuw; Rey], ontwikkeld uit vulgair Latijn *fica ‘id.’, nevenvorm van klassiek Latijn fīcus ‘vijg, vijgenboom, gezwel’.
Latijn fīcus is wrsch. een leenwoord uit een onbekende voor-Indo-Europese taal uit het Middellandse Zeegebied, waarop dan ook Grieks sũkon ‘id.’ en Armeens tcowz ‘id.’ teruggaan.
Voor de samenstelling oorvijg, zie → oor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vijg [vrucht] {fige 1201-1250} < oudfrans figes (frans figue) < oudprovençaals figa < latijn ficus [vijgenboom, vijg], uit een voor-lat. mediterrane taal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vijg znw. v., mnl. vîghe, os. fīga, ohd. fīga (nhd. feige) < ofra. figue < prov. figa < vulg.-lat. *fica bij lat. ficus ‘vijgeboom’.

Rechtstreeks uit het latijn schijnen ontleend oe. fīc- (maar ne. fig < fra. figue) en on. fīka, fikja. — Men verbindt lat. ficus met gr. sũkon en beschouwt beide als ontleningen aan een volk van het Oostelijk Middellandse-Zeegebied. — In het Got. luidt de naam smakka, die men ook als leenwoord beschouwt en wel van een Kaukasusvolk (verband met smaken dat K. F. Johansson KZ 36, 1900, 383 vermoedde is niet waarschijnlijk).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vijg znw., mnl. vîghe v. = ohd. fîga (nhd. feige), os. fîga v. “vijg”. Uit rom. *fîga (> it. figa, fr. figue) “id.”, een â-stam naast lat. fîcus “id.” (vgl. pruim). Langs anderen weg komen van lat. fîcus: ags. fîc- (in samenstt. als fîctrêow o. “vijgeboom”; eng. fig- in fig-tree “id.” van fr. figue), on. fîka, fîkja v. “id.”. Zie nog fijt. ̓t Got. heeft smakka m. “vijg”; bij smaken? obg. smoky “vijg” uit het Germ. of omgekeerd?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vijg. Ags. fîc- (en fîc m. ‘vijgewrat’: zie fijt), on. fîk(j)a zijn geleerde ontll. uit lat. fîcus.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vijg v., Mnl. vighe, Os. fîga, gelijk in alle Germ. en Rom. talen, uit Lat. ficum (-us), naam van den boom en van de vrucht. Ficus (uit *sficus) komt met Gr. sũkon (= *swikon) uit het Oosten. Go. smakka (= *swakwa) komt uit Gr. en Osl. smokŭ uit Go.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vy s.nw.
1. Sagte, peervormige, veelsadige vrug van 'n vyeboom. 2. Vyeboom. 3. (eufemisties; skertsend) Bol mis.
In bet. 1 en 3 uit Ndl. vijg (1515 in bet. 1, 1520 in bet. 3). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. fig (1382). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. Feige (9de eeu), Eng. fig (1225), Fr. figue (12de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vijg (de, -en), (ook, veroud.:) banaan (bakove* en banaan*). - Etym.: Volgens Pistorius (1763: 29) van Franse herkomst. C.R.C. Herckenrath & Albert Dory (bewerking H.G. Boulan) in Frans Woordenboek, 13e druk (Wolters, Groningen; 1958): figuier d’Adam = bananeboom, Oudste vindpl. Herlein 1718. Komt nu alleen nog voor in de samenst. bakovevijg*. - Samenst. ook: vijgeboom (Hartsinck 1770: 55).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vy: – vyg – , vrug- en pln. (spp. Ficus, fam. Moraceae), wilde soorte in S.A. (soms dim. vygie, soms in sk. soos Hottentotsvyg) gew. spp. Mesembrianthemum, fam. Aizoaceae; Ndl. vijg (Mnl. vīghe), Hd. feige, Eng. fig, Fr. figue, It. figa, ontln. aan Lat. ficus; v. verder Scho PD 75.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vijg: lafaard; bang iemand. Vaak in verbindingen zoals een vijg van een vent.

Van deze vrucht ging de betekenis door vormovereenkomst over in ‘vagina, kut’. De Grieken kenden deze vergelijking al. Sukon is niet alleen ‘vijg’, maar ook ‘kut’. Hieruit ontwikkelde zich de betekenis ‘weekachtig iemand’. Een zelfde ontwikkeling kende het woord trut*.

Ben jij nu die fameuze vrijdenker? Een vijg ben je. (Willem Elsschot, De verlossing, 1921)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vijg (Oudfrans figes)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vijg. Men veronderstelt in de verbasterde verbinding bij gans vijgen ‘bij de vijf wonden van Jezus aan het kruis’ een verdere verbastering van gans vijven. Was het telwoord eenmaal vervangen door een zelfstandig naamwoord, dan was het hek van de dam en volgden er vervangingen van dezelfde soort. Vijgen kreeg dan als plaatsvervangers koek, taarten, krakelingen e.d. → krent, pompelmoes.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vijg ‘schijnvrucht’ -> Deens figen ‘schijnvrucht; vijgenboom’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fiken ‘vrucht van de vijgenboom’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels vygie ‘ijskruidachtige’ ; Noord-Sotho feiye ‘schijnvrucht’ ; Zuid-Sotho feie ‘schijnvrucht’ ; Negerhollands vigie ‘schijnvrucht’; Papiaments † feig, fygi ‘schijnvrucht’; Sranantongo figa ‘schijnvrucht’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vijg schijnvrucht 1100 [Willeram] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut