Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vijf - (5)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vijf telw. ‘5’
Onl. mogelijk al in de sterk verbasterde glossen vueth ‘vijf’ en fithima chunna ‘vijfhonderd’ [8e eeuw; LS], vinf, vīf in het toponiem Uif gemete ‘Vijfgemeten’ [1162, kopie ca. 1225; Gysseling 1960] en in Ik haue uinf brôthere ‘ik heb vijf broers’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. vijf in uíjf iaer ‘vijf jaar’ [1220-40; VMNW], vijf, uiue [1240; Bern.].
Os. fīf (mnd. vīf); ohd. fimf, funf (nhd. fünf); ofri. fīf (nfri. fiif); oe. fif (ne. five); on. fimm (nzw. fem); got. fimf, Krim-Gotisch fyuf (lees fynf); < pgm. *fimf ‘vijf’. In de Noordzee-Germaanse talen met wegval van -n- (met compensatierekking i > ī) voor oorspr. stemloze fricatief.
Verwant met: Latijn quīnque (Frans cinq; zie ook → kwintet); Grieks pénte (zie ook → Pinksteren); Sanskrit páñca; Avestisch panca (Perzisch panj); Litouws penkì; Oudkerkslavisch pętĭ (Russisch pjat'); Oudiers cōic; Armeens hing; Albanees pesë; Tochaars A/B päñ/piś; < pie. *pénkwe, *pénkwti ‘vijf’ (IEW 808). Men verwacht hieruit pgm. *femhwe. De tweede f in pgm. *fimf-, uit ouder *femf(e), is ontstaan onder invloed van de eerste. Zie ook → wolf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vijf* [telwoord] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Vivegemet 1181-1210, vijf 1220-1240} oudsaksisch, oudfries, oudengels fif, oudhoogduits, gotisch fimf, oudnoors fim(m); buiten het germ. latijn quinque < ∗pinque (veranderd o.i.v. quattuor [vier]), grieks pente, oudiers cóic, welsh pymp, oudkerkslavisch pętĭ, litouws penki, oudindisch pañca (vgl. punch1). Uitdrukkingen: veel vijven en zessen hebbenvier. De uitdrukking vijfde colonne is een vertaling van spaans quinta columna, een uitdrukking uit 1936 van een generaal van Franco, die over de radio zei, dat Madrid zou vallen door vier colonnes die van buiten aanvielen en door de vijfde, die al in de stad was. Sedertdien is ‘vijfde colonne’ bijna identiek met het paard van Troje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vijf telw., mnl. vijf, os. fīf, ohd. fimf, finf (funf, nhd. fünf) ofri. oe. fīf (ne. five), on. fimm, fim, got. fimf < germ. *fimfe < idg. *penku̯e, vgl. oi. panca, gr. pénte, lat. quinque, osk-umbr. *pompe, oiers cōic, okymr. pimp, osl. pętĭ (t < kt naar het rangtelw.,), toch. A pëñ, Β. piś (IEW 808). — Zie: vijfde, vijftig en vinger.

De vorm *fimfe zal berusten op assimilatie van p-hw evenals in wolf. — De wegval van n is een inguaeoons verschijnsel, zoals ook in zacht. — De uitgang van het idg. woord ku̯e herinnert aan het partikel *ku̯e in lat. quisque, oi. kasca, dat de bet. van onbepaaldheid heeft. Gaat men uit van de grondrij der getallen 1-4 (die alleen verbogen vormen hebben), dan kan vijf de aanduiding zijn van de ongedefinieerde hoeveelheid, die het getal 4 overschrijdt (vgl. Gerschel, Annales 1962, 700).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vijf telw., mnl. vijf. — ohd. fimf, finf (fünf, nhd. fünf), os. ofri. ags. fîf (eng. five), on. fim(m), got. fimf “vijf”, germ. *fimfe > idg. *peŋqe. De tweede f wsch. door assimilatie aan de eerste (vgl. wolf). Voor den ndl.-os.-ofri.-ags. m-wegval vgl. zacht. = ier. côic, okymr. pimp, lat. quînque (de anlaut naar quattuor “4”), gr. pénte, lit. penkì (verbogen), arm. hing, oi. pán͂ca “vijf”. Een afgeleid znw. is obg. pętĭ “id.”, misschien ook alb. pesɛ “id.”. Zie vinger, vuist.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vijf. Adde: toch. A. pan͂ä, B. piš, piç.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vijf telw., Mnl. id., Os. fîf + Ohd. funf (Mhd. vünf, Nhd. fünf), Ags. fíf (Eng. five), Ofri. fíf, On. fimm (Zw. en De. fem), Go. fimf: uit Ug. *fimfi i.p.v. *fiŋhwi (vergel. vier en wolf) + Skr. pañca, Arm. hing, Gr. pénte (Gr. t = Idg q vóór e, i), Lat. quinque (uit *pinque), Oier. cóic. Osl. pętǐ, Lit. penkì: Idg. *penqe; z. vinger, vuist, vechten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vief, vijf (telw.) vijf; Aajdnederlands vif <701-800>.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vuve, tw.: vijf. Door ronding van de i in Mnl. vive, vgl. D.fünf < Ohd. finf.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vyf: s.nw. en telw., bep. getal; uit ouer (bv. Ohd.) finf naas (Os. en Oeng.) fīf, met gedift. i(e), vlg. verder vinger en vier I.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vijf. Men zwoer bij Gods vier, d.w.z. ‘bij het vuur van God’ en bedoelde daarmee of de bliksem of de pest. Dit vier werd opgevat als een telwoord. Toen dit eenmaal gebeurde, kon ook vijf net zo goed als vier, in een vloek als gans vijven, dienst gaan doen, aldus Leendertz (1878). Uit dit vijf ontstond weer vijftien met verschillende toevoegsels. Maar er is een andere verklaring denkbaar. De uitroepen gans vijven, gans vijf menten ‘bij de vijf wonden van Jezus aan het kruis’, zoals wij die bij Huygens en Bredero tegenkomen, kunnen ook geïnspireerd zijn door bij Gods wonden. Of ook gans vijgen, gans paerdevijghen, o gants sacker koeck en vijgen opzettelijk tot in het onherkenbare verdraaide of met spottende toevoegsels uitgebreide verbasteringen zijn bij dezelfde uitroep kan ik niet bewijzen, maar onwaarschijnlijk lijkt mij de veronderstelling van De Baere (1940: 113) niet. Het WNT neemt evenals Leendertz aan, dat gans vier en vijven ontstaan is uit de krachtterm gans vier ‘vuur’, waaraan door associatie met het telwoord vijf werd toegevoegd vijven, aanvankelijk met de gedachte aan de vijf wonden van Christus, maar al spoedig buiten verband daarmee en geassocieerd met de vier en vijf in het dobbelspel. Ook komen voor by gans vijff en drien en pots vier en vijven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vijf ‘telwoord’ -> Javindo fijf ‘telwoord’; Negerhollands fyf, fev, veif ‘telwoord’; Berbice-Nederlands faifu, fefu ‘telwoord’; Skepi-Nederlands faif ‘telwoord’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo feifi; vijf ‘telwoord’; Aucaans feifi ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vijf* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2393. Veel vieren en vijven hebben,

d.i. veel bedenkingen hebben, veel uitvluchten, ditten en datten (no. 431) hebben, veel onzin verkoopen; ook veel drukte, veel noten op zijn zang hebben; hetzelfde als veel vijven en zessen hebben; fri. in bult fiven en seizen (sauwen) habbe. De uitdrukking bewaart eene herinnering aan bekende 17de-eeuwsche uitroepen als Gans bloed! Gans dood! Gans vijven! (bij Gods heilige vijf wonden!)Ndl. Wdb. IV, 249-251. en dergelijke, ook gans vier en vijven, bij Gods vuur, d.i. den bliksem, waaraan komisch ‘vijven’ is toegevoegd, in Breug. II, 14 r:

 Ick sal eens met u drincken nu ghyt begeert,
 So raeck ick te peert, om beter te kijven,
 De vuysten jeucken my, gans vier en vijven.

Iemand die veel vieren en vijven heeft, gebruikt dus allerlei uitroepen, maakt veel drukte, lawaai, complimenten. Veel vijven en zessen hebben is dan eene navolging. Zie Harreb. II, 377; Br. v. Abr. Bl. I, 182: Maar, zo als ik zeg, wat doet er dit toe, als gy wilt staande houden, dat er geene Vriendschap is, en veel vieren en vyven; bl. 248: Hoor eens, kereltje, je moet zo maar niet denken, dat uw geluk en vryheid geleegen zyn in alles te doen, wat u maar in den zin komt, of dat een geschikt geregeld levensgedrag een fodsig naargeestig Monniksleven is, en veel vieren en vyven; W. Leevend, IV, 318; 336; VI, 6; VII, 342; C. Wildsch. IV, 33; 192; VI, 33; V. Janus, 178: Zoo veele viezenvaazen en vieren en vijven; bl. 348: In alle regeeringen, van welken aart sij dan ook zijn mogen, zijn sommige vizenvazen en vieren en vijven, mitsgaders twaalven en dertienen, welke er zoo noodzakelijk en maar al te noodlottig, aan verknocht zijn; G.v. Eckeren, Annie Hada, 230: En dan kleeden zij zich aan met allerlei vieren en vijven voor hun toilet; Ppl. 44: En as juffrouw K. 't u nou vertelt, dan maakt die d'r nog allemaal viere en vijve bij; Nkr. IX, 10 Juli p. 8: Toen Appel en die boer allebei an 't boomen, de boer zou 't paard wel bij z'n toom vasthouden, veel vieren en vijven; Menschenw. 47: Allegaer els.... saa 'k moar segge.... els vier en vaif en nie g'nog; evenzoo bl. 54; 113; 191; 225. - W. Leevend, VI, 180: Dit dorre werk voegt byzonder wel aan die blokkende geestgesteldheid; dat kaauwen en herkaauwen, en veel vyven en zessen; De Amsterdammer, 12 Dec. 1914 p. 3 k. 2: Men behandelt den belastingbetaler als een minderwaardige, als iemand, waar men niet veel vijf en zessen mee behoeft te maken; Schuermans, 812 b: met veel vijven en zessen iets zeggen, doen, doen met veel beschar, beslag, met veel onnoodig bestel; De Bo, 1324: veel vijven en zessen, veel onbeduidende doeningen of gezegden (Antw. Idiot. 1374); Rutten, 259 b: en vijf (vijven) en zes (zessen) was niet genoeg, hij vertelde veel rimram.; Claes, 270; Joos, 64; Waasch Idiot. 713: veel vieren en vijven of veel vijven of zessen. In Tongeren: en honderd vijf en drie was niet genoeg. Molema, 454 a: vieven en veulen, vieven en zessen, veel bestels, veel aanmerkingen; 574 b: vieven en veulen, praten van veul en veif, het van den eenen boeg op den anderen gooien (Leopold, 186); Nkr. V, 5 Maart p. 32; Nest, 55 (vijven en zessen); Mgdh. 81: Een hoop vijve en zesse. In Twente alle vieven en zessen bie mekaar hollen, niet van zijn stuk raken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal