Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vijand - (tegenstander)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vijand zn. ‘tegenstander’
Onl. fīunt, fīant ‘tegenstander’ in uuanda of fiunt flukit mi ‘want als de vijand mij vervloekte’ [10e eeuw; W.Ps.], ande sint auor thine uiande ‘het zijn echter je vijanden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. viant ‘tegenstander; (de) duivel’ in hare uiande ‘hun tegenstanders’ [1236; VMNW]; vnnl. vijand, vyand.
Het al vroeg in alle Germaanse talen zelfstandig gebruikte teg.deelw. van Proto-Germaans *fijēn- ‘haten’.
Os. fiand, fiond (mnd. viant); ohd. fīant (nhd. Feind); ofri. fiand, fiund (nfri. fijân < nl.); oe. fēond (ne. fiend); on. fjándi (nzw. fiende); got. fijands; alle (oorspr.) ‘tegenstander, vijand’, ook wel ‘(de) duivel’; < pgm. *fijēnd-, letterlijk ‘de hatende’, bij het werkwoord *fijēn- ‘haten’, waaruit: ohd. fīēn; oe. fēōn; on. fjá; got. fijan.
Verwant met: Grieks pẽma ‘het lijden’; Sanskrit pī́yati ‘smaadt’; < pie. *peh1i-, *pih1- ‘letsel toebrengen, smaden’ (LIV 459). Zie ook → vete.
Zie ook → vriend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vijand* [die een ander haat] {oudnederlands fiunt 901-1000, middelnederlands viant, fiant [vijand, de duivel] 1237, vient 1201-1250} oudsaksisch, oudfries fiand, oudhoogduits fiant, oudengels feond, oudnoors fjandi, gotisch fijands, eig. het teg. deelw. van een ww. oudhoogduits fien, oudengels feon, feogan, oudnoors fjā, gotisch fijan [haten]; buiten het germ. oudindisch pīyati [hij hoont]; vgl. voor de vorming vriend. In tegenstelling tot vriend is vijand een tweelettergrepig woordgebleven met een volle uitgang a; dit komt waarschijnlijk doordat het in de Middeleeuwen gebruikt werd ter aanduiding van de duivel en daardoor een kerkelijke, gewijde term was → geslagen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vijand znw. m., mnl. vîant, onfrank. fīunt, os. fīund, fīand, ohd. fīant (nhd. feind), ofri. fīand, fīund, oe. fēond (ne. fiend), on. fjāndi, got. fijands, eig. deelw. van het ww. ohd. fīen, oe. fēon, on. fjā, got. fijan ‘haten’, vgl. got. faian ‘berispen’. — oi. pīyati ‘smaadt, hoont’.

Opmerkelijk is dat in tegenstelling tot vriend de uitgang een volle vorm behouden heeft; misschien toe te schrijven aan het middeleeuwse gebruik met dit woord de duivel aan te duiden, waardoor het in zekere zin een kerkelijke term geworden was (van Haeringen Suppl. 181).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vijand znw., mnl. vîant (d) m. = onfr. fī̆unt (d), ohd. fîant (nhd. feind), os. fîund, fîand, ofri. fiûnd, fiând, ags. fêond (eng. fiend), on. fjândi, got. fijands m. “vijand”. Oorspr. een deelw. (vgl. vriend) en wel van ̓t ww. ohd. fîên, ags. fêon, on. fjâ, got. fijan “haten”. Verwant met got. faian “berispen”, oi. pī́yati “hij hoont”. [Onzeker is de verdere combinatie met lat. pêior “slechter”.] Wellicht is de basis pêi-, pî- een verlenging van pê- (pô-, pə -; ook kan pê- uit pêi- ontstaan zijn) in gr. pẽma “leed, verderf”, talai-pōros “ellende doorstaand, ongelukkig”, oi. pâpá- “slecht”, waarbij wellicht nog lat. patior “ik lijd” (pə-t-).

[Aanvullingen en Verbeteringen] vijand. Veeleer ofri. fîund, fîand.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vijand. Ofri. beter fîand, fîund (v.Wijk Aanv.). Misschien is het conservatisme in klankontwikkeling (a bewaard, in tegenstelling met vriend) eraan toe te schrijven dat het woord in de bet. ‘duivel’ (mnl. ohd. os. ags. on.) een kerkelijke, gewijde term was. Vgl. heiland Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vijand m., Mnl. viant, Onfra. fiunt, Os. fîand + Ohd. fîant (Mhd. vîant, vînt, Nhd. feind), Ags. féond (Eng. fiend), Ofri. fiánd, On. fjándi (Zw. en De. fiende), Go. fijands: is het teg.deelw. van *vijen = haten + Ohd. fîên, Ags. féon, On. fjá, Go. fijan + Skr. wrt. piyati = hij hoont, misschien Lat. pejor = slechter: Idg. pei̯, verwant met wrt. peiq (z. veete).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

vyand s.nw.
1. Iemand wat 'n ander haat. 2. Soldate van 'n strydmag teen wie geveg word. 3. Nadelige invloed. 4. Teenstander.
Uit Ndl. vijand (Mnl. viant, fiant, vieant, viënt, vient in bet. 1, 1556 in bet. 2, 1598 in bet. 3, 1924 in bet. 4). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm fyand.
Ndl. vijand hou o.a. verband met Oudhoogduits fiant, Oudengels fêond en Goties fijands, oorspr. die teenwoordige dw. van die ww. fiên, fêon en fîjan, onderskeidelik, wat almal 'haat' beteken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vyand: bevegter, teenstander (as enkeling of krygsmag); Ndl. vijand (Mnl. viant), Hd. feind, Eng. fiend, eint. teenw. dw. v. ww. soos Got. fijan, “haat” (vgl. heiland, vriend), verb. m. Lat. pejor, “slegter”, en ander Idg. vorme onseker.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Heb uw vijanden lief, een van de gedragsregels die Jezus zijn discipelen voorschrijft.

In een lange uiteenzetting over de wet vertelt Jezus zijn discipelen: 'Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: "Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten." En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5:43-45, NBV). De revolutionaire kern van deze woorden, Hebt uw vijanden lief, is nog steeds een algemeen bekende uitdrukking.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 44, 27-29. Ghi hebt oc wel ghehoert dat men wilen seide: du sout lief hebben dinen vrint, ende haten dinen vient. Mar ic seggv: hebt lief vwe viende ende doet goet den ghenen die v haten.
De consequente toepassing van het gebod 'Heb uw vijanden lief als uzelve' leidt niet, zoals Schlomo heimelijk had gehoopt, tot een loutering van de vijand. (NRC, sept. 1994)
Uit haar dagboeken krijgt men niet de indruk dat er in haar omgeving veel begrip voor deze opvattingen bestond. Met uitzondering van Spier natuurlijk, die vond dat een oorlog de juiste tijd was om je vijanden lief te hebben. (Leeuwarder Courant, 6-7-1984)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vijand. Pseudoniem voor duivel. Door hem met een andere naam aan te duiden, vermijdt men het noemen van zijn naam, waardoor hij niet daadwerkelijk aan- of opgeroepen wordt. Daarbij komt dat het geven van spotnamen tevens een vorm van beheersing impliceert; door de duivel op deze wijze te ridiculiseren kon men ongestraft zijn duivelsangst bezweren (Rooijakkers 1994: 382). In de Middeleeuwen en in bijvoorbeeld Mariken van Nieumeghen [tussen 1485 en 1510] komt viant voor als algemene benaming voor de duivel. Satan ‘vijand’ wordt bij ons zelden gebruikt. → droelie, droes, droeskop, drommel, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duivel, duizend, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, nikker, pikken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vijand, eig. tegenw. deelw. van een werkw., dat vijen, viën moet geluid hebben, en verwant is met den Skr. wt. pi = haten; vgl. ’t Got. fi-jand, letterlijk de hatende. (Op dezelfde wijze zijn Heiland en vriend gevormd.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vijand ‘persoon die een ander haat’ -> Engels † viand ‘persoon die een ander haat’; Negerhollands vyand, vieand ‘persoon die een ander haat’; Sranantongo feianti, feyanti ‘persoon die een ander haat; tegenstander’; Saramakkaans feántima ‘persoon die een ander haat’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vijand* persoon die een ander haat 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

665. Een geslagen vijand,

d.w.z. een doodvijand, een groote vijand. Het adjectief geslagen heeft hier de beteekenis van groot, volslagenKiliaen: vol-slaeghen kleed, vestis laciniata, ampla, sinuosa; Mnl. Wdb. IX, 883., en is eerst gezegd van den tijd, bijv. een geslagen uur, d.i. een vol uurVgl. Verm. Avant. II, 174: Blyvende al te samen meer als twee geslagen uren sonder spreken; bl. 183: Ik had meer als drie geslagen stonden vertoefd; Schuermans, Bijv. 96 a: een geslagen uur, een gansche, een volle uur; zoo ook Antw. Idiot. 479; Waasch Idiot. 252 a, waar als syn. op bl. 242 vermeld wordt een geklopte uur, en hieruit weder een geklopte boer, zeer lompe boer.. Daarna kreeg het eene algemeene bet. van vol, ruim, groot en kon men spreken van geslage spotters en geslage smulsters, dat voorkomt in De Biegt der Getrouwde (anno 1679) bl. 29 en 158. Onze uitdr. een geslagen vijand is het eerst uit de 18de eeuw opgeteekend; zie Sewel, 256; Halma, 175 en Ndl. Wdb. IV, 1759, alwaar evenwel eene andere verklaring wordt gegeven (geslagen = verslagen, en daarna verbitterd; vgl. no. 609), evenals in het Mnl. Wdb. II, 303, waar vergeleken wordt dootslagen viant, een vijand om dood te slaan, op leven en dood, welk dootslagen wellicht eig. dootslage moest luiden, d.i. doodslaande, maar door verwarring met geslagen dien vorm heeft aangenomenTijdschrift XI, 195..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut