Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vies - (licht weerzinwekkend; afkerig, vuil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vies bn. ‘licht weerzinwekkend; afkerig, vuil’
Vnnl. vijs in een verwensende samenstelling: Ghi comt noch de rauen tot een ase, ian visenase ‘je zult de raven nog tot voedsel dienen, Jan Viesneus’ [1539; iWNT viesneus], vies ‘ergernis veroorzakend; lastig tevreden te stellen’ [1573; Thes.], vies, vijs, ook ‘raar, grillig, vreemd, weerzinwekkend’ in in dese neuswijse vise tijden ‘in dit curieuze, grillige tijdperk’ [1596; iWNT], vijse reucken ‘weerzinwekkende geuren’ [1618; iWNT], Het een is fray, het ander vijs ‘het een is mooi, het ander lelijk’ [ca. 1620; iWNT], ongheleert verstandt, dat ... met vijse invallen heeft swangher gheweest ‘ongeletterd verstand, dat zwanger is geweest van rare invallen’ [1623; iWNT], de viese sieckt ‘de weerzinwekkende ziekte’ [1627; iWNT], ‘kieskeurig, afkerig, moeilijk te bevredigen’ (van personen) in Sy is ... soo wonder vijs, Sy is soo kout gelijck een ys ‘zij is zo buitengewoon afkerig, ze is zo koud als ijs’ [1627; iWNT], Heel kies op spijs, heel vijs op dranck ‘heel kieskeurig op eten, heel kieskeurig op drinken’ [1663; iWNT]; nnl. alzoo ons volk 'er wat vies van is ‘aangezien ons volk er een beetje afkerig van is’ [1726; iWNT], allerlei vieze verhaaltjes [1889; iWNT], het vieze woord ‘woord dat iets vies benoemt’ [1917; iWNT], vies weer [1932; iWNT].
De spelling vijs, die in de 17e eeuw nog veelvuldig voorkomt, wijst erop dat het woord een historische lange /ī/ heeft. De West-Vlaamse uitspraak [vis] beantwoordt daar nog steeds aan. De gebruikelijke diftongering is wrsch. vanwege de expressieve betekenis achterwege gebleven. De lokalisering van de vroegste vindplaatsen wijst niet noodzakelijk op herkomst uit een dialect waarin ī-diftongering helemaal niet voorkomt.
Mnd. vīs (nnd. fies); Nederrijns fies, maar sinds de 20e eeuw ook in de algemene Hoogduitse omgangstaal; nfri. fiis; alle ‘weerzinwekkend; kieskeurig’.
Herkomst onzeker. Volgens de enige serieus te nemen etymologie (Rosenfeld 1956 en 1958, aangenomen door Kluge, Pfeifer, maar afgewezen door Toll., omdat deze geen steun in het Nederlandse materiaal vindt), is er verband met → veest ‘(buik)wind, scheet’, nevenvorm van vijst ‘id.’. Dit woord kwam volgens Rosenfeld in Nederduitse en Nederrijnse dialecten ook voor als fīs (fies, vies enz.) en zou daar een brede toepassing hebben gehad in afkeuring uitdrukkende samenstellingen, afleidingen en uitingen waarin de letterlijke betekenis op de achtergrond was geraakt. Hieruit zou dan een bn. fies ‘afkeuring opwekkend’ zijn geabstraheerd.
Vies en vijs worden van oudsher vooral gebruikt voor zaken en personen die een algemene bevreemding of weerzin opwekken. De betekenis ‘weerzinwekkend’ is enigszins afgezwakt, maar leeft nog steeds voort als basisbetekenis: vies is minder pregnant dan weerzinwekkend en treedt vaak op als synoniem voor vuil. Daarnaast kwam al vroeg een betekenis ‘moeilijk tevreden te stellen, kieskeurig’ voor, en vandaar ‘afkerig’. Deze betekenissen zijn nog te herkennen in de uitdrukking vieze varkens worden niet vet, resp. in de vaste verbinding ergens vies van zijn ‘ergens een afkeer van hebben’. De vroegste dateringen van alle betekenissen liggen vrij dicht bij elkaar. Plantijn definieert vies al als ‘ergernis veroorzakend’ en als ‘lastig tevreden te stellen’. De oorspr. betekenis en de richting van de betekenisontwikkeling zijn dan ook niet zeker.
viezerik zn. ‘iemand die vies is of vies doet’. Vnnl. Vizericken raad ik, het niet te koopen, want het is door de fijnste zeef niet gezift ‘kieskeurige mensen raad ik aan het (boek) niet te kopen, want het is niet door de fijnste zeef gegaan’ [1679; iWNT], ‘iemand die vies is of doet’, overdrachtelijk ‘slechterik’ in umdat 't viezerikken zijn, die een arm mins 't stukske dreug brood niet gunnen! [1866; Ned.mag., 349]. Afleiding van vies met het achtervoegsel → -erik.
Lit.: H.-F. Rosenfeld (1956), “Germ. fīs(t) in seiner Entfaltung in übertragenem Sinn”, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur (Halle) 78, 402-406; H.-F. Rosenfeld (1958), “Zu ndl. vies, dt. fies ‘Ekel erregend’, ‘Ekel empfindend’, ‘heikel’”, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur (Halle) 80, 424-428

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vies [vuil] {1573 in de betekenis ‘knorrig’; de betekenis ‘onrein, fysiek weerzinwekkend’ 1617} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vies bnw. met dial. (wel door affectief gebruik) ie voor germ. ī, vgl. nog dial. (beierl. Maastr.) veis, ook bekend in rijnlands, mnd. en fri. De betekenissen lopen zeer uiteen: Kiliaen ‘phantasticus, morosus’, nog in zuidnl. dial. ‘raar, grappig’; in nnd. fri. ‘kieskeurig’ en ‘walgelijk’, ook ‘wonderlijk’. Het is moeilijk de uitgangsbet. nauwkeurig te bepalen: C. Kruiskamp Ts 62, 1943, 1-13 wil uitgaan van ‘vreemd’, maar J. H. van Lessen, Samengest. Naamw. 41 van ‘fijn’, waarvoor te vergelijken oostfri. fīseln ‘zachtjes regenen of sneeuwen’; dan zou men met vijzel 2 kunnen verbinden.

Dit zou leiden tot een vroege bet. van ‘kieskeurig’ (vieze varkens worden niet vet) en daar zulke mensen alles gauw vies vinden, lag de weg vrij naar ‘walgelijk’. Kieskeurigheid wordt echter licht als malle fratsen beschouwd en vandaar kan men komen tot ‘raar, wonderlijk’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vies bnw. Met dial. ie > germ. î, dial. (o.a. Beierl., Maastr.) vijs (d.i. veis); Kil. vermeldt vies “phantasticus: et Morosus” (de bett. “raar, grappig” nog in zuidndl. streken); niet uit ̓t Mnl. bekend. Een ook nederrijnsch, ndd. en fri. woord met de bett. “kieskeurig” en “walgelijk”, dan ook “wonderlijk” e.a. bett. Een wsch. jong bnw. van onzekeren oorsprong. Wellicht bij de in ̓t Fri. en elders voorkomende interjectie fij “foei, bah”; vgl. ̓t fri. bnw. fij “wars, afkeerig”. Men heeft ook aan verwantschap met veesten gedacht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vies. Ja.H.van Lessen Samengest. Naamw. 41 veronderstelt dat de ospr. bet. ‘fijn’ is geweest. (Vgl. kies Suppl.; ook oostfri. fîseln ‘zachtjes en fijn regenen of sneeuwen’). In dat geval is de verbinding met de interjectie fij te verwerpen, maar kan men aan verwantschap met vijzel II (zie vijzel II Suppl.; ook viezevazen Suppl.) denken. Voor de zeer gewone uitspraak met f- zie bij fielt Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vies bijv., dial. voor vijs + Ndd., Fri. fîs: misschien verwant met veest.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veis (bn.) vies; Nuinederlands vijs <1618>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vies 1, viesj, bn.: vuil, lelijk, gemeen; kieskeurig; lastig, humeurig. Br. vies ‘vreemd, zonderling, vermakelijk, koddig; kwaad, vuil, walgelijk; kieskeurig’; ‘walgelijk, vuil; slecht geluimd, knorrig; zonderling, grappig; kieskeurig’; Wvl. ‘slechtgeluimd, humeurig, gestreng; kieskeurig; vies (van)’. Vnnl. vies ‘gemelijk, knorrig’ (Kiliaan). De ie-spelling in vies geeft de niet-gediftongeerde î weer, die in het Wvl. klankwettig met korte [i] uitgesproken wordt. De spelling vijs is niet een papieren vorm, zoals het WNT meent. Vgl. D. fies, Mnd. vîs, Ndd. fies. De etymologie is onduidelijk. Volgens Rosenfeld (in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache 78 (1956), 402-406 en 80 (1958), 424-428) zou het een adjectivering zijn van Rijnlands fîs ‘veest’, zodat uit der Fieskerl een woordgroep der Fiese Kerl zou zijn ontstaan. Vgl. Vroegnhd.feisen, Ndd. fîsen, Mnl. vîsen ‘veesten’ .Vgl. (ook Vlaams) vijsten ‘veesten’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vies, bn.: vreemd, zonderling, vermakelijk, koddig; kwaad, vuil, walgelijk; kieskeurig. Ovl. vies ‘walgelijk, vuil; slecht geluimd, knorrig; zonderling, grappig; kieskeurig; Wvl. vies [vis] ‘slechtgeluimd, humeurig, gestreng; kieskeurig; vies (van)’. Vnnl. vies ‘gemelijk, knorrig’ (Kiliaan). De ie-spelling in vies geeft de niet-gediftongeerde î weer, die in het Wvl. klankwettig met korte [i] uitgesproken wordt. De spelling vijs is niet een papieren vorm, zoals het WNT meent. Vgl. D. fies, Mnd. vîs, Ndd. fies. De etymologie is onduidelijk. Volgens Rosenfeld (in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache 78 (1956), 402-406 en 80 (1958), 424-428) zou het een adjectivering zijn van Rijnlands fîs ‘veest’, zodat uit der Fieskerl een woordgroep der Fiese Kerl zou zijn ontstaan. Vgl. Vroegnhd.feisen, Ndd. fîsen, Mnl. vîsen ‘veesten’ .Vgl. (ook Vlaams) vijsten ‘veesten’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vies bn.: vuil, morsig; kieskeurig; zonderling, grappig. Vlaams ook ‘knorrig, slecht geluimd’. Vnnl. vies ‘gemelijk, knorrig’ (Kiliaan). De ie-spelling in vies geeft de niet-gediftongeerde î weer, die in het Wvl. klankwettig met korte [i] uitgesproken wordt. De spelling vijs is niet een papieren vorm, zoals het WNT meent. Vgl. D. fies, Mnd. vîs, Ndd. fies. De etymologie is onduidelijk. Volgens Rosenfeld (in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache 80 (1958), 424 e.v.) zou het een adjectivering zijn van Rijnlands fîs ‘veest’, zodat uit der Fieskerl een woordgroep der Fiese Kerl zou zijn ontstaan. Vgl. Vroegnhd.feisen, Ndd. fîsen, Mnl. vîsen ‘veesten’ (zie ook vijsten).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vies (B, G, W, ZO), bn.: walgelijk, vuil (G, ZV); slecht geluimd, knorrig (B, G, W, ZO); zonderling, grappig (ZO, ZV); kieskeurig (B, G, W, ZV). Vnnl. vies 'gemelijk, knorrig' (Kiliaan). De ie-spelling in vies geeft de niet-gediftongeerde î weer, die in het Wvl. klankwettig met korte [i] uitgesproken wordt. De spelling vijs is niet een papieren vorm, zoals het WNT meent. Vgl. D. fies, Mnd. vîs, Ndd. fies. De etymologie is onduidelijk. Volgens Rosenfeld (in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache 80 (1958), 424 e.v.) zou het een adjectivering zijn van Rijnlands fîs 'veest', zodat uit der Fieskerl een woordgroep der Fiese Kerl zou zijn ontstaan. Vgl. Vroegnhd.feisen, Ndd. fîsen, Mnl. vîsen 'veesten' (zie ook vijsten).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vies b.nw.
1. Kwaad, ergerlik. 2. Vuil, walglik.
Uit Ndl., gewestelik in België in die vorm vies (1573 in bet. 1, 1622 in bet. 2).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1916).

viets b.nw.
Deftig, netjies, sjiek.
Volgens Boshoff - Nienaber (1967) mntl. 'n doeblet van Ndl. vies (1626) 'kieskeurig' of mntl. 'n nuutgeskepte kontaminasie van Ndl. vies 'kieskeurig', vief 'lewendig, slim' en fiks 'stewig, sterk, gesond' of mntl. uit Fr. (je m'en) fiche (pas mal) 'ek stel my kieskeurigheid daarbo'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vijs, bn.: slechtgeluimd, humeurig; gestreng; kieskeurig, afkerig, vies (van). Vroegnnl. vies ‘phantasticus, morosus’ (Kiliaan). De Ndl. en Br. (Kiliaan) spelling vies geeft de ongediftongeerde î weer, die in het Wvl. daarom klankwettig met korte [i] uitgesproken wordt. De spelling vijs is daarom niet een papieren vorm, zoals het WNT meent. Fri., Ndd .fis. Etymologie onduidelijk.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vies bn., bw., (ook:) gemeen, ’vuil’. Nu de slaven wisten welk een vies spel de basya* met hen gespeeld had, waakten* ze, maar ze konden er niets meer aandoen (Jong Loy 46). Het begint te regenen van de vieze uitlatingen, terwijl er op de vingers gefloten wordt (Vianen 1971: 44). - Etym.: In N alleen in gemeenz. taal.

vies spelen (speelde, heeft gespeeld), vals spelen; gemeen, ’vuil’ spelen. Militairen let op uw zaak, want er wordt vies gespeeld uit uw naam! (WS 6-11-1982). - Etym.: Zie vies*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vies: boos, kwaad, vererg; naar; kom in bet. ooreen m. SNdl. vies, “sleg geluimd”, en in ’n mate m. NNdl. vies van, “as onrein/met walging beskou” (vgl. Afr. vieslik, “slordig, smerig, vuil”), maar origens in Ndl. gew. “onsmaaklik, vuil”, v. onseker herk., m. dial. ie, nog nie in Mnl. nie en by Kil in ander bet.

viets: deftig, netjies, piekfyn, swierig; blb. nie in Ndl. nie, mntl. ’n doeb. v. Ndl. vies in bet. “kieskeurig”, of misk. ’n neol. kontamv. v. vies, vief en fiks – sou dit verb. kan hou m. Fr. (Je m’en) fiche (pas mal), “ek het die land daaraan” (d.w.s. “stel my kieskeurig daarbo”)?

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Vies bnw., bw., kwaad, gesteurd, uit jou humeur: Vies voel, wees. – Joos 712: “Vies, slecht geluimd, kwalijk gezind”. Reeds by Kiliaen kom vies voor in die betekenis “morosus”. – Teirl. III, 260.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Vieze Man

De Vieze Man van Kees van Kooten was niet de eerste in z’n soort, en zeker niet de laatste. De wereld blijkt te wemelen van de vieze mannen. Als je ‘vieze man’ nazoekt in de digitale bestanden van kranten rollen ze er bij bosjes uit. Een kleine greep: Menno Buch wordt ‘de vieze man van Veronica’ genoemd en Willibrord Frequin ‘de vieze man van Hilversum’. Ulrich Seidl staat bekend als ‘de Oostenrijkse vieze man’ en Walt Disney werd een paar jaar geleden ontmaskerd als ‘de vieze man van Hollywood’. Van Ursul de Geer is gezegd dat hij ‘een vieze man in een net pak’ is. Zonder nadere bepaling zijn — om uiteenlopende redenen — onder meer Brett Anderson, Herman Brood, Gerard Reve, Docters van Leeuwen, Friedrich Weinreb en Joop Wilhelmus vieze mannen genoemd. Zelfs Rembrandt zou een vieze man zijn geweest. Althans, in 1992 schreef Jan Wolkers in de nrc: ‘Men vond Rembrandt nogal eens een vieze man. En dat was hij, gode zij dank, van tijd tot tijd misschien ook wel.’

Kees van Kooten liep in 1981 een anonieme vieze man tegen het lijf. Aan het literaire tijdschrift Hersenspinsels vertelde hij hierover later:

Ik wandelde eens met mijn dochter in het Spanderswoud, ze was toen een jaar of drie. Ik kwam toen een man tegen en hij zei: ‘Ik zou niet verder lopen met dat meisje, want daar liggen er twee.’ En toen die man dat zei, zag ik dat hij loog. Hij vond het spannend om te vertellen. Toen gingen we naar huis. En toen we moesten filmen, zei ik tegen onze grimeur: ‘Ik wil een vieze man doen.’ Ik heb een regenjas aangetrokken die aan de kapstok hing, ik heb mijn haar geverfd en ik had me nog niet geschoren. Toen zijn we teruggegaan naar die plek in het bos. Wim liep daar met een hondje en ik zei dus op de plaats waar die man tegen mij had gezegd: ‘Eh... gaat u met dat hondje... eh.’ Zo is ie ontstaan, de Vieze Man.

De sketch van de Vieze Man die in het bos meneer Foppe (De Bie) aanspreekt, werd uitgezonden op 12 april 1981. De conversatie begint als volgt:

Vieze Man: ‘Ga je deze kant op?’
Foppe: ‘Ja.’
Vieze Man: ‘Uitkijken, hoor, daar.’
Foppe: ‘O jee, is er wat gebeurd?’
Vieze Man: ‘D’r liggen er twee. Er zijn er twee met elkaar bezig.’
Foppe: ‘Ach, ’t is lente hè.’
Vieze Man: ‘Nee, het zijn twee kerels.’

Vervolgens blijken er ook nog, aan de andere kant van het bospad, twee naakte vrouwen met elkaar bezig te zijn en ‘vier, nee zeven naakte stellen’. Aldus de Vieze Man. Overigens heette hij toen nog niet zo. Die naam Vieze Man kreeg hij niet lang daarna van ir. Walter de Rochebrune, een even erudiet als smoezelig typetje van Wim de Bie. In 1984 verschenen zij samen op een videoband getiteld Vieze Mannen.

De Vieze Man is een van de bekendste typetjes van Kees van Kooten. Hij was afstotend en ontroerend tegelijk. Hij at van het eelt onder zijn voeten, hij rook aan een bankje in het park waar zojuist een mejuffrouw had gezeten, hij fantaseerde hoe het zou voelen om een donzig paaskuikentje met van die ijzerdraadpootjes op je eikel te zetten, hij huurde pornovideo’s die hij — bij gebrek aan een afspeler — buiten tegen het licht hield en hij stopte batterijen in zijn achterste om te testen of er nog stroom op stond. Allemaal zaken waar hij, naar eigen zeggen, ballen van in zijn buik kreeg.

In zijn beroemdste sketch praat de Vieze Man in een keurige chocolaterie zo vunzig over bonbons met zachte vulling, dat je die niet meer kunt kopen zonder aan hem te denken. Tijdens die scène zegt hij een paar keer, smakkend op een bonbon: ‘Nou komt het nat’ — een uitdrukking die, net als ballen in m’n buik, alleen in kringen van Van Kooten en De Bie-fans nog wel eens wordt aangehaald.

De grote bekendheid van Van Kootens Vieze Man heeft een curieus effect op het Nederlands gehad. Het typetje is zó bekend dat het bijna niet meer lukt om de woorden vieze man op te tikken zonder aan de Vieze Man te denken. Het gevolg hiervan is dat in kranten vieze man geregeld met hoofdletters wordt geschreven. Zo schreef de nrc in 1996, onder de kop ‘Al Pacino als familielid van de Vieze Man op het toneel’: Op zulke momenten is Pacino’s Erie familie van De Vieze Man, een verfijnde neef die in de goot is geraakt.’

Behalve naar hoofdletters grijpt men ook naar aanhalingstekens. Trouw had het eens over ‘een onmogelijke, kwijlende kerel, een “vieze man” avant la lettre’. Het Algemeen Dagblad gebruikte in 1994 zelfs een combinatie van hoofdletters en aanhalingstekens:

In Utrecht zullen de heksen in het midden van hun heksenkring een ‘Vieze Man’ verbranden, bij wijze van protest tegen aanranding & verkrachting. Allemachtig, daar zullen wij toch weer heen moeten, voor een indringende reportage. Want een krijsende Hedy d’Ancona, gezeten op een bezemsteel, dat kunnen wij natuurlijk niet laten lopen.

Van Kooten en De Bie hebben de taal op veel manieren beïnvloed, maar dit is de subtielste: door een klassiek typetje verschijnen hoofdletters en aanhalingstekens op plaatsen waar ze strikt genomen niet nodig zijn en waar ze, vóór Van Kootens wandelingetje in het Spanderswoud, nooit zouden hebben gestaan. Daarnaast doen combinaties als vieze-man-achtige, vieze man-monoloog, vieze-mannenhok en suikerzakjesverzamelaars-in-vieze-man-regenjassen de invloed van Van Kooten en De Bie vermoeden.

Er is nog iets anders: sinds het ranzige typetje van Van Kooten lijkt vieze man vaker als bijnaam te worden gebruikt. Niet alleen voor personen, maar zelfs voor landen. Vooral ‘de vieze man van Europa’ is populair. Engeland, Frankrijk, Denemarken, Nederland en Wallonië zijn zo genoemd. West-Bengalen is ‘de vieze man van India’ genoemd, maar dat zal oorspronkelijk wel in het Engels zijn gebeurd. Het gaat hier kennelijk om de zoveelste variant op de uitdrukking de zieke man van Europa, waarmee in de negentiende eeuw Turkije werd aangeduid.

Een apart geval is Aad Kosto. Kosto was staatssecretaris van Justitie toen Den Haag besloot het asielbeleid van het Ministerie van wvc over te hevelen naar Justitie. Maar zijn partijgenote Hedy d’Ancona, indertijd minister van wvc, meende dat haar ministerie veel menselijker te werk ging. Kosto reageerde daar in 1994 fel op in het Nieuwsblad Migranten:

D’Ancona vindt dat Justitie de opvang niet mag doen, omdat het ook de instantie is die opsluit. Ik voel dat als een affront tegen Justitie. Waar ik bezwaar tegen heb is dat D’Ancona er good guys en bad guys van maakt. Ik ben dat gewend, vandaar dat ik me schertsenderwijs, maar met een bittere ondertoon, de vieze man van het kabinet noem.

Aad Kosto als de zelfbenoemde Vieze Man van het kabinet — het zou hem eindeloos worden nagedragen en uiteindelijk werd hij, door zijn asielbeleid, zelfs het slachtoffer van een bomaanslag. Dan is het toch veiliger om wandelaars in het bos te waarschuwen dat er verderop twee liggen te... uh...

Zie ook geilneef.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vies ‘vuil’ -> Duits fies ‘lelijk, akelig, kieskeurig met eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels vies ‘woedend’ ; Javindo fies ‘vuil’; Amerikaans-Engels dialect feest, feast ‘walgelijk’; Negerhollands vies ‘afkeer, afschuw; hekel hebben aan’; Berbice-Nederlands fisi ‘verachten, als vuil behandelen’; Papiaments fis, vis (ouder: vies) ‘vies, vuil; afkeer, walging’; Sranantongo fisti ‘vuil, smerig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vies vuil 1617 [WNT] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2325. Vieze varkens worden niet vet,

d.w.z. kieskeurigeIn de 17de eeuw is vies in deze beteekenis zeer gewoon; zie o.a. Huygens, Cluysw. 13; Hofwijck, 1205. varkens worden niet vet; bij overdracht: kinderen, die al te kieskeurig zijn, gedijen niet; vgl. het fri. smoarige of grûzige bargen dije best, morsige, vuile varkens groeien het best, dat ook in fig. toepassing van kinderen gezegd wordt; Harreb. II, 360 b; V. Schothorst, 127; Gunnink, 129; V.d. Water, 55: Smerege bagge worre niet fet; Op R. en T. 123: 't Is hier meestal treife (zie no. 1264), maar wat zal je doen, eten moet je toch en ik zal maar denken: vieze varkens worden niet vet. Vgl. op Goeree en Overflakkee: Een varken sterft niet van een vuilen, maar wel van een leegen bakN. Taalgids XI, 307.; hd. ein sauberes Ferkel wird selten fett.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal