Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vierling - (vier uit één zwangerschap geboren kinderen of dieren)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vierling znw., mnl. vierlinc ‘vierde deel van een maat of munt’, afl. van vier. — Als ‘kleine munt’ overgenomen in ofra. ferlin, frelin, fellin, waaruit nfra. freluquet (munt van geringe waarde, Valkhoff 141), maar Gamillscheg 441 wil uitgaan van ofra. ferling < frank. *fjordling.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Vierling Vierderling Westvlaamse namen voor de Wintertaling [De Bo 1873; WVD 1996]. De namen gaven aan dat een Wintertaling maar ongeveer het één vierde van het gewicht van de Wilde Eend (= Volle Eend, ↑) had. “ongeveer”, want in Vlamertinge (WVl) had de soort de bijnaam Drieling en elders de naam Halfeendje. In Woumen (WVl) is de naam Zomervierling voor de Zomertaling opgetekend; de Zomertaling is ongeveer even zwaar als de Wintertaling. Zie ook Ortfocla en Veiling.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal