Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vier - (4)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vier telw. ‘4’
Onl. wrsch. in fitter t(h)usunde ‘vierduizend’ [8e eeuw; LS], vier, viuwar in de toponiemen Uiuuuarflet ‘Viervliet’ [918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel], Vierackeren ‘Vierakker (Gelderland)’ [1139-50, kopie 1670; Künzel]; mnl. vier in die uiere cnapen ‘de vier jongens’ [1220-40; VMNW].
Os. fiuwar, fiwar, fior (mnd. vēr); ohd. fior (nhd. vier); ofri. fiūwer (nfri. fjouwer); oe. fēower (ne. four); on. fjórir (nzw. fyra); got. fidwōr, Krim-Gotisch fyder; < pgm. *fedwōr ‘vier’.
Verwant met: Latijn quattuor (Frans quatre), in samenstellingen quadr- (zie ook → quarantaine); Grieks téssares; Sanskrit catvā́ras; Avestisch čathwārō (Perzisch chār); Litouws keturì; Oudkerkslavisch četyre (Russisch četýre); Oudiers cethair; Armeens č'ork'; Albanees katër; Tochaars A/B śtwar/śtwer; < pie. *kwétuōr-es/*kwétuōr ‘vier’ (IEW 642). Pgm. *fedwōr wijst op voor-Germaans *petuōr; de *p- is om onduidelijke redenen uit pie. *kw- ontstaan en is misschien vergelijkbaar met de (klankwettige) ontwikkeling van pie. *kw > Brits-Keltisch *p. Waarschijnlijker is analogiewerking door de anlaut van → vijf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vier* [telwoord] {in de vroegere plaatsnaam Viuwarflet (ligging onbekend) <918-948>, vier(e) 1236} oudsaksisch, oudhoogduits fior, oudengels feower, oudnoors fjórir, gotisch fidwor; buiten het germ. latijn quattuor, grieks tessares, pisures, oudiers cethir, welsh pedwar, oudkerkslavisch četyre, litouws keturi, oudindisch catvāraḥ. De uitdrukking veel vieren en vijven hebben [noten op zijn zang hebben] herinnert aan 17e-eeuws gans vijven [bij Gods vijf wonden] en bij gans vier en vijven [bij Gods bliksem] waarin vijven voor de grap is toegevoegd. In veel vijven en zessen hebben we te doen met navolging, mogelijk doordat men het begrip voor de uitdrukking kwijt was.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vier telw., mnl. vier(e), os. fior, fiuwar, ohd. fior (nhd. vier), ofri. fiār-, fiūwer, fiōr, oe. fēower (north. fēor, ne. four), on. fjōrir m. (fjōrar v. fjǫgur o.), got. fidwōr, fidur-. — lat. quattuor, osk. petora, gr. téttares, písures, oi. čatvāras, osl. četyre, lit. keturì, gall. petorritum ‘vierwielige wagen’, arm. čorkh, toch. A śtwar, Β śtwer, grondvorm *ku̯etu̯ores (IEW 642-3). — Zie: veertien en veertig.

De germ. vormen gaan terug op een grondvorm *peku̯ōres gedissimileerd uit een vorm *ku̯eku̯ōres, die zelf weer geassimileerd zou zijn uit *ku̯etu̯ōres. Op deze laatste voert IEW 643 vormen als got. fudur, oe. fyðer terug, terwijl hij de vormen vier enz. uit *ku̯eku̯ōr wil laten ontstaan. Dit is zeer onzeker; men heeft althans on. fjōrir verklaard < *fioðrir < *feðurēR. — Het Germ. heeft aan het begin een labiaal, die eerder door dissimilatie zal te verklaren zijn, dan door invloed van het telwoord vijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vier telw., mnl. vier (viere). = ohd. fior (nhd. vier), os. fior, fiuwar, ofri. fiâr-, fiûwer, fiôr, ags. fêower (north. féor; eng. four), on. fjôrir (m., fjôrar v., fjugur o.), got. fidwor “vier”. De ontwikkelingsgeschiedenis van al deze vormen ter zijde latend, deelen we alleen mee, dat we van idg. *qetwō̆r- (nom. m. *qetwō̆res) moeten uitgaan — germ. f- voor χw- onder invloed van vijf —, waarnaast ablautend *qetū̆r- in got. fidū̆r-, ozw. fiæþer-, saalfrank. fitter-, ws. fyðer-, merc. feoðor- “vier-” en ook buiten ’t Germ. (niet alleen in samenst.). De andere idg. talen hebben: ier. cethir, lat. quattuor (> alb. katrɛ), gr. téssares, téttares, dor. tétores, Homerus písures, obg. četyre, lit. keturì, arm. ç̌orkʿ, oi. catvā́raḥ “vier”, in samenst. verschillende vormen, op idg. *qetur-, *qetwṛ-, *qetru- teruggaand.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vier. Bij de woorden uit andere idg. talen adde: toch. A. çtwar, B. çtwâr, çtwer. Pogingen om idg. *qetwō̆res verder te ontleden (Güntert WuS. 11, 141 vlg.; F.Muller IF. 44,137 vlg.) zijn uiterst gewaagd en fantastisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vier 1 telw., Mnl. id., Os. fior + Ohd. id. (Mhd. vier, Nhd. id.), Ags. féower (Eng. four), Ofri. fiór, On. fiórir (Zw. fyra, De. fire). Go. fidwor: uit Ug. feđwor i.p.v. *hweđwor (vergel. wolf) + Skr. catvāras, Zd. cathwārō, Arm. čʽorkʽ, Gr. téssares (Gr. t = Idg. q vóór e, i), Lat. quatuor, Oier. cethir, Osl. četyre, Lit. keturì: Idg. *qetu̯er, *qetur (vergel. nog veertien).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veer (telw.) vier; Aajdnederlands fitter <701-800>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vier s.nw., telw.
1. Drie plus een, of teken waarmee hierdie getal voorgestel word. 2. Groep of stel van vier (1vier 1), o.a. vier lopies in krieket.
Uit Ndl. vier (al Mnl. in bet. 1 as telw., 1516 in bet. 1 as s.nw., 1591 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. as telw. by Pannevis (1880) in die frases vier pêre swiep en vier skellinge.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vier: vier’de rang (de), (i.h.b.:) laagste rang bij het lager onderwijs, dat was tot 1934 de vierde, daarna de derde (de rang van hulponderwijzer*). Naast de genoemde opleidingen zijn er nog een aantal cursussen die opleiden voor de hulponderwijzersakte (zgn. 4de rang) en de boslandakte*, die via een staatsexamen behaald kunnen worden (Enc.Sur. 444).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vier I: s.nw. en telw., bep. getal; Ndl. vier (Mnl. vier/viere), Hd. vier, Eng. four, Got. fidūr-/fidwōr-, hou verb. m. Lat. quattuor, Gr. tessares/tettares, “vier”; met ongedift. i(e) voor r, vgl. vyf uit ouer fīf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vier ‘telwoord’ -> Negerhollands vier, veer, fi ‘telwoord’; Berbice-Nederlands firi ‘telwoord’; Skepi-Nederlands firi ‘telwoord’; Sranantongo vier ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vier* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1688. Onder vier oogen,

d.w.z. zonder het bijzijn van een derde, door het oor van een turfmand (Harreb. II, 64). Zie Huygens, Zeestraet, vs. 487: Maer, wilt ghy tusschen ons' vier oogen en vier ooren een' nieuwen overslagh van wat meer voordeels hooren?; Tuinman I, 201: Tusschen vier oogen; Sewel, 589: Onder (of tusschen) vier oogen, face to face, without witnesses; hd. unter vier Augen; fr. entre quatre yeux; fri. únder fjouwer eagen. Zie ook Joos, 83; Villiers, 90; Ndl. Wdb. X, 2256 en W. de Vreese, Proeve van Taalzuivering, 203, waar verschillende voorbeelden van het gallicisme tusschen vier oogen vermeld worden.

2393. Veel vieren en vijven hebben,

d.i. veel bedenkingen hebben, veel uitvluchten, ditten en datten (no. 431) hebben, veel onzin verkoopen; ook veel drukte, veel noten op zijn zang hebben; hetzelfde als veel vijven en zessen hebben; fri. in bult fiven en seizen (sauwen) habbe. De uitdrukking bewaart eene herinnering aan bekende 17de-eeuwsche uitroepen als Gans bloed! Gans dood! Gans vijven! (bij Gods heilige vijf wonden!)Ndl. Wdb. IV, 249-251. en dergelijke, ook gans vier en vijven, bij Gods vuur, d.i. den bliksem, waaraan komisch ‘vijven’ is toegevoegd, in Breug. II, 14 r:

 Ick sal eens met u drincken nu ghyt begeert,
 So raeck ick te peert, om beter te kijven,
 De vuysten jeucken my, gans vier en vijven.

Iemand die veel vieren en vijven heeft, gebruikt dus allerlei uitroepen, maakt veel drukte, lawaai, complimenten. Veel vijven en zessen hebben is dan eene navolging. Zie Harreb. II, 377; Br. v. Abr. Bl. I, 182: Maar, zo als ik zeg, wat doet er dit toe, als gy wilt staande houden, dat er geene Vriendschap is, en veel vieren en vyven; bl. 248: Hoor eens, kereltje, je moet zo maar niet denken, dat uw geluk en vryheid geleegen zyn in alles te doen, wat u maar in den zin komt, of dat een geschikt geregeld levensgedrag een fodsig naargeestig Monniksleven is, en veel vieren en vyven; W. Leevend, IV, 318; 336; VI, 6; VII, 342; C. Wildsch. IV, 33; 192; VI, 33; V. Janus, 178: Zoo veele viezenvaazen en vieren en vijven; bl. 348: In alle regeeringen, van welken aart sij dan ook zijn mogen, zijn sommige vizenvazen en vieren en vijven, mitsgaders twaalven en dertienen, welke er zoo noodzakelijk en maar al te noodlottig, aan verknocht zijn; G.v. Eckeren, Annie Hada, 230: En dan kleeden zij zich aan met allerlei vieren en vijven voor hun toilet; Ppl. 44: En as juffrouw K. 't u nou vertelt, dan maakt die d'r nog allemaal viere en vijve bij; Nkr. IX, 10 Juli p. 8: Toen Appel en die boer allebei an 't boomen, de boer zou 't paard wel bij z'n toom vasthouden, veel vieren en vijven; Menschenw. 47: Allegaer els.... saa 'k moar segge.... els vier en vaif en nie g'nog; evenzoo bl. 54; 113; 191; 225. - W. Leevend, VI, 180: Dit dorre werk voegt byzonder wel aan die blokkende geestgesteldheid; dat kaauwen en herkaauwen, en veel vyven en zessen; De Amsterdammer, 12 Dec. 1914 p. 3 k. 2: Men behandelt den belastingbetaler als een minderwaardige, als iemand, waar men niet veel vijf en zessen mee behoeft te maken; Schuermans, 812 b: met veel vijven en zessen iets zeggen, doen, doen met veel beschar, beslag, met veel onnoodig bestel; De Bo, 1324: veel vijven en zessen, veel onbeduidende doeningen of gezegden (Antw. Idiot. 1374); Rutten, 259 b: en vijf (vijven) en zes (zessen) was niet genoeg, hij vertelde veel rimram.; Claes, 270; Joos, 64; Waasch Idiot. 713: veel vieren en vijven of veel vijven of zessen. In Tongeren: en honderd vijf en drie was niet genoeg. Molema, 454 a: vieven en veulen, vieven en zessen, veel bestels, veel aanmerkingen; 574 b: vieven en veulen, praten van veul en veif, het van den eenen boeg op den anderen gooien (Leopold, 186); Nkr. V, 5 Maart p. 32; Nest, 55 (vijven en zessen); Mgdh. 81: Een hoop vijve en zesse. In Twente alle vieven en zessen bie mekaar hollen, niet van zijn stuk raken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut