Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vief - (levendig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vief bn. ‘levendig’
Nnl. vief, vif ‘vlug, levendig’ in of door onze vive beweging niets uit zyn plooi geraakt is [1735; WNT], Een bekoorlyk teer vief Meisje [1784; iWNT].
Ontleend aan Frans vif ‘levendig’ [10e eeuw; TLF], dat ontwikkeld is uit Latijn vīvus ‘levend’.
Latijn vīvus ‘levend’, het werkwoord vīvere ‘leven’ en het zelfstandig naamwoord vīta ‘leven’ zijn alle afgeleid van de nultrap van de wortel pie. *gwieh3- ‘leven’ (LIV 215), zie verder het verwante woord → kwiek.
Andere woorden die uiteindelijk teruggaan op een van deze Latijnse woorden, zijn → vijver, → vitaal, → vitamine, → vivisectie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vief [levendig] {1735} < frans vif [levend, levendig] < latijn vivus [levend].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

vief

Het Latijnse woord vivus betekent: levend. Daarvan komt het Franse vif en het Nederlandse vief, dat voor het eerst wordt gebruikt door Justus van Effen, dus in de 18e eeuw. Hij schreef aanvankelijk in het Frans en heeft het in een van zijn Spectatoriale geschriften over een vive beweging. Dit is de oudste vindplaats van vief in het Nederlands en het is zeer waarschijnlijk dat Van Effen eenvoudig het Franse woord vif heeft overgenomen. De betekenis is: rap, levendig. Bij Wolff en Deken komt vief ook voor, soms in een wat andere zin. In een der brieven van Blankaart aan Saartje leest men: ‘Gij zijt vif, haastig en zoo taamelijk oploopend’. Hier betekent vief kennelijk: onstuimig, haastig gebakerd, ongeduldig. Van vief is weer een bijvoeglijk naamwoord afgeleid, dat vievig luidt en daarvan komt weer een zelfstandig naamwoord vievigheid. In het zuiden des lands kan men horen zeggen: hij heeft zijn vrouw geslagen in een vievigheid, d.w.z.: in plotselinge drift, in een opwelling van boosheid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vief bnw., eerst nnl. vif < lat. vīvus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vief bnw. Nnl. uit fr. vif (< lat. vîvus).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vief (bn.) vlug, levendig; Nuinederlands vief <1735> < Frans vif.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vief: geestig, lewendig, opgewek; rats; Ndl. (na Kil) vief via Fr. vif/vive uit Lat. vivus, “lewendig” (ww. vivere, “lewe”), hou verb. m. Eng. vivacious, vivacity.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vief (Frans vif)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vief ‘levendig’ ->? Duits dialect wiff ‘levendig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vief levendig 1735 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut