Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vete - (traditionele vijandschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vete zn. ‘traditionele vijandschap’
Mnl. vede, vete ‘vijandschap, twist’ in hensi uan ueten ‘behalve met betrekking tot een twist’ [1237; VMNW], der eweliker ueedenTuschen den uiant ende hare ‘de eeuwige vijandschap tussen de duivel en haar’ [1265-70; VMNW].
Afleiding van Proto-Germaans *faiha- ‘vijandig’ met hetzelfde achtervoegsel als in → diepte. Het oorspr. achtervoegsel -de is net als bij veel andere woorden in de loop van het Middelnederlands vervangen door -te.
Mnd. veide-, vēde (vanwaar door ontlening nzw. fejd); ohd. gi-fēhida (nhd. Fehde); ofri. faithe, feithe; oe. fǣhð(u); alle ‘vete, vijandschap, vijandigheid’, < pgm. *faihiþō-. Men neemt reeds onl. *fēda aan op grond van de Oudfranse ontlening faide ‘bloedwraak’ [12e eeuw; FEW]; deze betekenis is er ook al vroeg in middeleeuws Latijn faida ‘id.’ [731; Niermeyer].
Afleiding van het bn. *faiha- ‘vijandig’, waaruit: mnl. vee ‘id.’, vaker ghevee ‘onderling vijandig’; ohd. gifēh ‘id.’; ofri. fāch ‘vervolgd, verbannen, vogelvrij’; oe. fāh ‘vijandig’ (ne. foe zn. ‘vijand’).
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk uit *poiḱ- (IEW 795) en afgeleid van pie. *pei- < *peh1i- ‘berispen, smaden’ (LIV 459), zie → vijand. Verwant is dan wrsch. Sanskrit píśuna- ‘boosaardig’ en mogelijk ook, zij het met onverwachte k < pie. *ḱ, Litouws paĩkas ‘dwaas, halsstarrig’ en ablautend peĩkti ‘berispen, honen’. Verwantschap met Oudiers oech ‘vijand’ is eveneens onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vete* [traditionele haat] {ve(e)te, ve(e)de [vijandschap, twist, vete] 1265-1270} middelnederduits ve(he)de, oudhoogduits (gi)fehida, oudfries faithe, oudengels fæhd, van middelnederlands gevee [iem. hatend, vijandig gezind, gehaat], oudhoogduits gifēh, oudfries fāch, oudengels fāh (engels foe [vijand]), waarbij middelnederlands vegen [vijandig behandelen], oudsaksisch afehian [veroordelen], oudhoogduits fehen [haten], gotisch gafaihon [bedriegen, in beslag nemen]; vgl. ook veen en i.h.b. veeg; buiten het germ. litouws pykti [kwaad zijn], oudpruisisch paikemmai [wij bedriegen], oudindisch piśuna- [kwaadaardig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vete [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie WNT veete.

vete znw. v., mnl. vête v. ‘vijandschap’ met veranderd suffix voor ouder vêde, mnd. vēde, veide, ohd. gi-fehida v. ‘haat, vijandschap, strijd’ (nhd. fehde), ofri. feithe v. ‘vete, vijandschap, strijd’, oe. fæhð ‘vete, vijandschap’. — Daarnaast het bnw. mnl. ghe-vee, ohd. gifēh ‘vijandig’, ofri. fāch ‘strafbaar’, oe. fāh ‘vogelvrij’ (ne. foe) en het ww. os. a-fēhian, ohd. fēhen ‘veroordelen’ en got. faih o. ‘bedrog’, bi-faihon ‘bedriegen’. — Zie verder: veeg 3.

De idg. wt. *peiḱ staat naast *peiĝ, waarvoor vgl. os. fēcan ‘verraad, bedrog’, ohd. feihhan o. ‘arglist, bedrog’, oe. fācen o. ‘verraad, boosheid, bedrog’, on. feikn o. ‘verderf’, oe. ficol ‘arglistig’ en verder lat. piget ‘het verdriet mij’ (IEW 795). — De idg. wt. zou betekenen ‘vijandig gezind’; of men deze hoger op verbinden mag met *pēi, (waartoe vijand behoort), is niet zeker (IEW legt deze verbinding niet). — De vorm vete schijnt van Vlaanderen te zijn uitgegaan; de invloed van veechte, die L. Willems, Verh. AW Gent 1925, 808 vlgg. aanneemt, acht van Haeringen, Suppl. 177 wegens de zeldzaamheid van deze vorm zeer onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veete znw., mnl. vête v. Met suffix-verandering (vgl. begeerte, schaamte) naast ouder vêde (zelden ghe-vêde) v. = ohd. gi-fêhida v. “haat, vijandschap, strijd” (nhd. fehde), mnd. vêde, veide, ofri. feithe (owfri. ook fayte) v. “veete, vijandschap, strijd”, ags. fæ̂hð v. “id.”. Bij mnl. ghe-vee, ohd. gi-fêh “vijandig”, ofri. fâch “reus”, ags. fâh “vogelvrij, in den ban” (eng. foe). Hiervan ook ohd. fêhen, os. a-fêhian “veroordeelen”. Verder hierbij got. faih o. “bedrog”, bi-faihon “bedriegen” en buiten het Germ. ier. oech “vijand”, lit. pìktas “boos”, pỹkti “boos worden”, paĩkas “dom”, opr. paikemmai “(dat) wij bedriegen”, oi. píçuna- “boosaardig, verraderlijk”. De bases pī̆q-, pī̆ḱ- zijn verlengingen van pī̆- (zie vijand) evenals pī̆g- of pī̆ĝ-, waarvan ohd. feihhan, os. fêkn, ags. fâcen o. “boosheid, bedrog”, on. feikn o. “verderf”, ags. ficol “listig, verraderlijk”, lat. piget () “het verdriet (mij)”, piger “lui”. Zie nog veeg II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ve[e]te. De -te-vorm schijnt het eerst in Vlaanderen opgekomen te zijn en vandaar zich over andere diall. te hebben verbreid: Leon.Willems Vla. Acad. 1925, 808 vlgg. Of wij, zoals W. wil, de suffixverandering aan de bijvorm veechte v. moeten toeschrijven, is zeer onzeker wegens de betrekkelijke zeldzaamheid van deze (niet speciaal vla.) vorm.
Met ‘reus’ als bet. van ofri. fâch is bedoeld lat. reus ‘strafbaar’. Got. faih o. komt niet voor, wel bi-faih o. ‘pleonexía’.
Ier. oech wordt wel hiervan gescheiden (oegi ‘gast’!): WP. II, 10. — Arm. hêkh ‘ellendig, ongelukkig’ kan ook verwant zijn (Petersson Ar. u. arm. St. 95).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veete v., Mnl. vete, met t verscherpt uit d, Mnl. vede + Ohd. fêhida (Mhd. vêhede, Nhd. fehde), Ags. fǽhđ, Ofri. feithe, afgel. van een adj.: *vee + Ohd. gifêh (Mhd. gevêch), Ags. fáh (Eng. foe) = vijandig: Idg. wrt. peiq (z. vijand). Verwantschap met veem is zeer twijfelachtig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vete s.nw.
Blywende vyandskap of rusie tussen partye.
Uit Ndl. vete (Mnl. veete).
D. Fehde (10de eeu), Eng. feud (1300).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Veete of vede schijnt afgeleid van den Idg. wt. pig = schaden, bedriegen (p wordt in ’t Germ. ƒ of v); vgl. ’t Got. faih = bedrog. Dit schaden, bedriegen is op de handelingen van een vijand toegepast, waardoor veete de bet. kreeg van vijandschap; vgl.: „Die minne maect ghevriende (vrienden) in veeden” en bij Melis Stoke: „De Friezen waren Willem II ghevee” (vijandig).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vete ‘traditionele haat’ -> Fries fete ‘traditionele vijandschap’; Deens fejde ‘lange, intensieve strijd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors feide ‘oorlog, strijd; woordenstrijd’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fejd ‘strijd, twist’ (uit Nederlands of Nederduits);? Menadonees véto ‘kwaad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vete* traditionele haat 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut