Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vet - (bn. weldoorvoed; smeerachtige bestanddelen bevattend; zn. vette substantie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vet bn. ‘weldoorvoed, dik; smeerachtige bestanddelen bevattend’; zn. ‘vette substantie’
Onl. fētit, fēt (bn.) in Feita sulun uuerthun sconitha uuostinnon ‘de schoonheden van de woestijn zullen vruchtbaar worden’, berg feit, berg feitit ‘vruchtbare berg’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vet in uan einen hirte men doe brachte, dien uetten cembre wal gebraden ‘van een hert bracht men toen het goed gebraden vette lendenstuk’ [1220-40; VMNW], nu ga wi coken. Desen guden vetten hase ‘nu gaan we deze lekkere dikke haas bereiden’ [1276-1300; VMNW], die conincg was sere vet [1285; VMNW], uet swinijns ulesch ‘vet varkensvlees’ [1287; VMNW], nemt vetter erden ‘neem vette (vruchtbare) aarde’ [1287; VMNW], overdrachtelijk in uwe borse van ghelde vet ‘uw goedgevulde beurs’ [ca. 1410; MNW].
Onl. fēt (zn.) ‘smeer, reuzel e.d.’ in Also mit smere in mit feite irfullit uuerthe sela min ‘als met smeer en met vet wordt mijn ziel vervuld’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vet (zn.) in smere ende vet [1287; VMNW].
Het bn. vet is ontwikkeld uit het verl.deelw. *faitida- van Proto-Germaans *faitijan- ‘vet maken’. In het West-Germaans werd dit *fētit, genitief *fēttes en in het Oud(west)nederlands *fētit, genitief *fettes, dat door analogiewerking leidde tot een Middelnederlandse nominatief vet.
Bij het bn.: mnd. vet (vanwaar door ontlening mhd. vet, nhd. fett, ook als zn. Fett); ohd. feizit (nhd. feist, ook als zn. Feist); ofri. fet (nfri. fet), ook als zn.; oe. fǣted, fǣtt (ne. fat, ook als zn.); < pgm. *faitida-, verl.deelw. van *faitijan-.
Bij het ww. *faitijan-: mhd. veizen; on. feita. Dit werkwoord is afgeleid van een bn. *faita-, waaruit: onl. feit [10e eeuw. W.Ps.]; mnd. vēt; ohd. feiz; ofri. fāt; on. feitr (nzw. fet). Een nultrap *fit- komt voor in on. fita ‘vet’; on. fitna ‘vet worden’; ozw. fitme ‘dikte, gezetheid’ (nzw. fetma ‘id.’).
Pgm. *faita- is wrsch. een dentaaluitbreiding van de wortel pie. *p(e)iH- ‘zwellen, vet zijn’ (LIV 464), waarbij: Latijn pinguis ‘weldoorvoed, vet’ (De Vaan 2008, hoewel met onverklaard suffix -gui-); Grieks píōn ‘vet, vruchtbaar’; Sanskrit pīná ‘vet’, páyate ‘zwelt’; Litouws píenas ‘melk’.
De oorspr. betekenis van het bn. vet is ‘weldoorvoed, zwaarlijvig, dik, opgezwollen e.d.’, gezegd van dieren en mensen. Uit de vetste ‘dikste’ lichaamsdelen van slachtdieren won men substanties als → smeer en → reuzel, die eveneens vet benoemd konden worden. Zowel bn. als zn. werden in de loop van de tijd ook op diverse overdrachtelijke manieren gebruikt, meestal met betrekking tot overvloed en/of dikte. Op basis van de gemeenschappelijke bestanddelen van vetten kreeg het woord vet (zn.) als verzamelnaam in de scheikunde een nauwkeurige definitie, die ook plantaardige vette substanties omvat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vet* [weefsel tussen vlees] {1287} een als zn. gebruikt bn. middelnederlands vet {1201-1250} middelnederduits vet, fries fet, oudengels fætt, door vocaaluitstoting in verbogen naamvalsvorm uit oudnederlands feitit, oudhoogduits feizzit, eig. het verl. deelw. van een ww. voor vetmesten (oudengels fætan), oudnederlands feit, middelnederduits vet, oudhoogduits feiz, oudfries fatt, fet, oudnoors feitr [vet]; buiten het germ. latijn pinguis, grieks piōn [vet], oudindisch payate [hij wordt dik]. De uitdrukking nog wat in het vet hebben [nog iets te verwachten hebben] is genomen van vlees dat onder een laag vet wordt bewaard. Voor de uitdrukking vet zijn [dronken zijn] vgl. in de olie zijn, glimmen van de drank. De uitdrukking het vette der aarde [rijkdom] is ontleend aan de bijbel, vgl. bv. Genesis 27:28. De uitdrukking iemand zijn vet geven [de les lezen] wil eig. zeggen dat het gebraad dat zichzelf niet kan bedruipen, vet toegevoegd krijgt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vet znw. bnw., mnl. vet bnw., mnd. vet (sedert de 14de eeuw > nhd. fett), onfrank. feitit, oe. fæted (ne. fat) germ. *faitida bij het ww. *faitian, vgl. oe. fætan ‘vet mesten’, ohd. feizzen, on. feita, dat weer gevormd is van het bnw. germ. *faita-: onfrank. feit, mnd. vēt, ohd. feiʒ, ofri. fāt, on. feitr, waarnaast abl. on. fita v. ‘vet, vettigheid’. — gr. pĩdaks ‘bron’, pidúō ‘laat doorsijpelen’ (med. ‘opbruisen’), lett. pìsa, pīse ‘moeras, struikbos’ van idg. wt. *poid, pī̆d dentaal-afl. van *pei̭(e), pī̆ ‘vetzijn’, vgl. oi. páyatē ‘zwelt, is vol’, pīná- ‘vet, dik’, pipyūšī ‘melk in de borst hebbend’, pīvas- o. ‘vet, spek’, gr. pī́ōn ‘vet, vruchtbaar’, pĩar ‘vet’, póa (< *poiu̯ā), lit. píeva ‘weide’, lat. opīmus ‘vet, rijk, vruchtbaar’ (IEW 793-794). — Zie ook: vei.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vet I znw. o. Ook in andere talen (du. fri.) voorkomende substantiveering van het o. bnw. vet.

vet II bnw. Dit reeds mnl. bnw. = mnd. vet (tt; sedert de 14. eeuw ook md.; nhd. fett), fri. fet, ags. fǣ̆tt (eng. fat) “vet”. Met in de casus obliqui klankwettige vocaalsyncope = onfr. feitit, ohd. feiʒʒit (nhd. feist) “id.”. Deelwoord-formatie van een ww. *faitianan (ohd. feiʒʒen voor *feizzen, on. feita) “vetmesten”, dat gevormd is van germ. * faita-, onfr. feit, ohd. feiʒ, mnd. vět, ofri. fât, on. feitr “vet”. Eventueel kan een deel van deze vormen met syncope = *faitiða- zijn. Voor de klinkerverkorting vóór tt in vet vgl. etter. Germ. *faita- en on. fita v. “vet” (misschien ook gr. pīdúō “ik laat doorsijpelen”, medium “ik bruis op”) komen van een idg. basis pī̆d-, een verlenging van pī̆- “zwellen”, waarvan o.a. ook lat. pinguis “vet” (*pîm-go-; voor de verlengde basis pī̆m- vgl. vim), gr. pīōn, pī́erós, pīarós, oi. pîvará- “vet”, pī́van- “zwellend, vet”, páyate “hij zwelt”. Een met t verlengde basis misschien in ier. ithid “hij eet”, obg. pitati, pitěti “voeden”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vet. Het ww. germ. *faitianan ook in ags. fæ̂tan ‘vetmesten’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vet 2 v. (sla), hetz. als vet 1.

vet 1 bijv.(vettig), Mnl. id., Onfra. feitit + Ohd. feiʒʒit (Mhd. veiʒt, Nhd. feist — uit het Ndd. komt fett), Ags. fǽt (Eng. fat), afl. van een ww. *vêeten, Ohd. feiʒʒen, On. feita, denom. van adj. *veet, Onfra. feit + Ohd. feiʒ, Ofri. fát, On. feitr (Zw. fet, De. fed) = vet + Skr. pīvas, Gr. píōn Lat. pinguis, Oier. ith = vet, Lit. pënas = melk. De uitdr. iemand zijn vet geven staat in verband met iemand een vette saus geven of is vervormd naar het Fr. dire son fait à quelqu’un.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vèt (bn.) vet; Aajdnederlands fet <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vet: s.nw. en b.nw., olierige organiese stof; goed gevoed/gevoer; geil, vrugbaar; Ndl. vet (Mnl. vet), Hd. fett, Eng. fat, hou wsk. verb. m. Lat. pinguis, “vet”, vgl. pikkewyn; verbg.: so waar as vet wsk. ’n Angme. (Eng. as sure as fate).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Vet, term in albasterspel. As ’n speler skiet en sy ghoen kom te lê op die lyn wat die krans vorm, dan is hy vet en hy mag nie verder speel voor al die medespelers eers weer ’n beurt gehad het nie. Ook word vir vet gesê snet. Kom jou die ongeluk oor soos hierbo beskrywe, word deur jou medespelers meestal net geskree vet? of snet! En dan is jy “dood”. Hou vet miskien verband met Gallėe 63: “Vet, uitroep in jongensspelen, ij bünt vet, gij scheidt er uit.” Vir terme wat hiervoor in Suid-Nederlands gebruik word, sien De Bo en Teirlinck V, 69.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vet (iemand zijn -- geven) (vert. van Frans donner à quelqu’un son fait?)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het vette (van iets), het beste, lekkerste.
Het vette der aarde, de materiële welvaart.

In de oudere bijbelvertalingen wordt met het vette bedoeld 'het beste' van wat het land oplevert: ' Ick sal u $t beste van Egyptenlant geven ende gy sult het vette deses lants eten' (Genesis 45: 18, Statenvertaling). Het vette der aarde is daarnaast ontstaan, en kan dan ook op materiële welvaart in het algemeen betrekking hebben.

De kardinalen waren hovelingen, ingesteld op het vette der aarde. (H. Nolthenius, Duecento, 1951, p. 140).
Kennelijk waren deze voorstellingen [op wandtapijten] er zeer gewild bij hen die het vette der aarde in ruime mate genieten konden. (NUMAGA, http://www.mmboud.dds.nl/tapijten/tapijten2.html, actief 17-8-2005).
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vet ‘weefsel tussen vlees, stof met vetachtige consistentie’ -> Zweeds fett ‘stof met vetachtige consistentie’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch vét ‘oliehoudend smeersel, weefsel tussen vlees’; Javaans dialect vèt ‘oliehoudend smeersel’; Menadonees vèt ‘olie’; Japans hetto ‘stof met vetachtige consistentie’;? Koreaans p'aet'ŭ ‘stof met vetachtige consistentie’ ; Berbice-Nederlands fete ‘weefsel tussen vlees, stof met vetachtige consistentie’; Papiaments vèt, fèt ‘weefsel tussen vlees, stof met vetachtige consistentie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vet* weefsel tussen vlees 1287 [CG NatBl]

vet* bijwoord van hoedanigheid: in hoge mate 1989 [Hofkamp&Westerman]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

vet, in hoge mate. Jeugdslang

Vet: erg, veel, flink. Dan kom je vet in de problemen. (Marc Hofkamp en Wim Westerman: Aso’s, bigi’s, crimi’s, 1989)
Baaba is de echte trendsetter, hij zou hakkûh vet bekend kunnen maken hier. (Nieuwe Revu, 08/04/98)
Op het programma stonden twee thuiswedstrijden van The Chicago Bulls en het aanschaffen van veel ‘vet moeilijke’ kleding. (Esquire, mei 1998)
Met mijn jongere broertje had ik elke week vet ruzie. (Nieuwe Revu, 23/09/98)
jeugdtaal voor ‘erg goed’. Sinds het midden van de jaren negentig.
Verder is er o.a. gabberpoëzie, mode, ’n horrorbus en graffiti-workshop. Vet. (Nieuwe Revu, 09/07/97)
Hebben jullie de nieuwe clip van Aerosmith gezien? Ja, met die maffe types die op de camera af lopen! Vette clip! (HP/De Tijd, 12/12/97)
‘Cheap Shots III’, de nieuwe Refused CD en een vet No Fun At All T-shirt... (Oor, 21/02/98)
DJ Godard komt net van ‘Awakening’ honderd meter verderop: ‘Vet feest, toppertje.’ (Nieuwe Revu, 04/03/98)
Ik hou ook van mode, maar niet zo van: het is vet want het staat in Vogue. (HP/ De Tijd, 16/10/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1006. Jaar en dag,

d.i. langen tijd; ook na jaar en dag, na langen tijd; hd. seit Jahr und Tag; eng. in a year and a day (Prick2, 52). De bet. is ontleend aan het vroegere middeleeuwsche rechtswezen, waarbij allerlei rechtstoestanden konden beklijven en allerlei rechten hunne kracht verloren door verloop van jaar en dag, d.i. éen jaar en éen dag, een vrij jaar (waarbij de dag van aanvang niet meetelt). In later tijd (bij ons sedert het laatst van de twaalfde eeuw) verstaat men er onder een jaar, zes weken en soms nog drie dagen; vgl. Kiliaen: Jaer ende dach, annus et sex septimanae: et (veteri Saxonum more) tres insuper dies. Zie Mededeelingen v.d. Maatschappij v. Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 114-115; Ndl. Wdb. VII, 39 en het Mnl. Wdb. II, 11; III, 985.

1051. Hij is kachel,

ook hij is kachelig, hij is dronken; hij is half kachel, (wat) aangeschoten. Zie Köster Henke, 29: kachel, stomdronken; bl. 68: Het was een toffe gooser (een flinke kerel), eigenlijk kachel zagje hem gooit; Sjof. 80: Als de kerels naar d'r werk gingen, dan bleven ze soms hier of daar plakken, kwamme drie kwart kachel an de fabriek; bl. 127: Ja Sien, je ben sikker, je ben kachel; Van Ginneken, Handb. I, 513: kachel, dronken; Ndl. Wdb, VII, 835.

De verklaring dezer zegswijze is onzeker. Misschien moeten we uitgaan van synonieme zegsw. hij is gepoetst (o.a. in Sjof. 9: De meester, die sterk aan den draad trok (dronk), was 's avonds nog al eens gepoetst), waarin ‘gepoetst’ beteekent (glad, glimmend), dronken, dus synoniem van vet en in de olie, die beide voor ‘dronken’ gebruikt worden, naast zoo vet zijn als olie (in Maasgouw, 1914, bl. 8). Het volt. deelw. gepoetst glimmend, glad kon doen denken aan een kachel; vandaar dat dial. voorkomt nog al kachel in den zin van nog al glad, nog al duidelijk, wiedes (V. Schothorst, 148Vgl. voor een dergelijk verschijnsel het hoogd. barg. käse stehen, butter stehen naar aanleiding van schmiere stehen (zie Smeris) en dreckig lachen ontstaan op het voorbeeld van schmutzig lachen (Zeitschr. f. D. Wortf. XIII, 169).). Zoo kon ook kachel gebruikt worden van iemand die glom, en ontstond de uitdr. hij is kachel, hij is gepoetst, vet, in de olie, dronken. Waarschijnlijker is het echter wel, dat niet zoo zeer op het glimmend als wel op het roode gezicht van een beschonkene gelet is. Aanleiding tot deze onderstelling geeft het synonieme hij heb de brand, hij is dronken (Köster Henke, 11; Jord. II, 519) en de kachel aanhebben, dat voorkomt in Het Volk, 5 Mei 1914, p. 5 k. 3: Een glunderend kastelein achter de toonbank en er vóór een die de ‘kachel’ aan heeft en tot zich zelf wat te zeggen heeft.

1618. Met zijn neus in het vet (of in de boter) vallen,

d.w.z. een (onverwacht) fortuintje krijgen; vooral juist komen als men ergens feest viert of smult; een voordeelig huwelijk sluiten. De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Brederoo, Klucht v.d. Molenaar, vs. 474: Dat ick so ien reys mocht mit myn neus in 't vet raken; Van Eijk III, 41; Nkr. II, 25 Oct. p. 3: Het feit dat Z.E. Gestrenge door zijn benoeming met zijn neus zelf in de boter is gevallen; Kalv. II, 183: Je valt hier met je neus in de boter; Prikk. II, 11: Jij valt ook niet eventjes met je neus in de boter!; Het Volk, 25 Juni 1914, p. 5 k. 2: Nu, ge kunt denken dat hij (een onderkruiper) onder zooveel georganiseerden met zijn neus in de boter viel (leelijk te pas kwam). Elders leest men met zijn aars in de boter vallen (Harreb. I, 84 b), waarvoor men in Friesland zegt mei 't gat yn 'e bûter (of 'bûterfet) falle, gezegd van een meisje zonder geld, dat een rijk huwelijk doet; in Groningen: mit 't achterste (of mit 't gad) in de botter (of in 't bottervat) vallen (Molema 54 a; Bergsma, 67); op de Veluwe: met 't kond in de botter vallenOnze Volkstaal III, 250.; In Zuid-Nederland met zijn gat in de boter vallen (o.a. Antw. Idiot. 281; Teirl. 201; Tuerlinckx, 94). Bij Schuermans, 808 a: met zijne palms (of zijnen neus) in het vet vallen, ergens te midden van eene kermis of feest aankomen, in welken zin het bij ons ook niet ongewoon is (Dr. Bl. III, 46 en vgl. eng. to come at puddingtime); bl. 408: met den neus in 't vet zitten of liggen, goede dagen hebben; Joos, 84: met zijn duimen in 't vet vallen; Land v. Waas: met zijnen achteruit in de boter vallen of met zijnen bek in 't vet vallen. Syn. in de 17de eeuw met zijn lijf in een vat boter vallen; zie V.d. Venne, 226: Die met sijn Lyf in een vat boter valt, schijnt een geluckigen vet-sack te wesen.

1662. In de olie zijn,

d.w.z. dronken, gepoetst, vet, in de neut (no. 1633) zijn; eig. glimmen, een glimmend gezicht hebben tengevolge van drankmisbruik. Vgl. Harreb. II, 133: mooi vet: hij is in de olie opgekookt, dit is het beeld van den nathalsVgl. Lyste v. Rar. I, 245: Hy heeft een coleur of hy in Tabak en Brandewyn was opgekookt.; III, XCI: hij is zoo vet als olie, hij is dronken; Nkr. III, 9 Mei, p. 2: Ik drink den oranjebitter bij het glas en bij de flesch, alle dagen in de olie; Amst. 96: Die jonge is iedere dag schandalig in de olie; Nest. 75: Die is ook mooi in de olie; Sjof. 27: Hij was een beetje in de olie en dan konje niet voor hem instaan; Op R. en T. 107: Mijn man is ook dikkels in de olie; Panorama, 29 Maart 1922, p. 14: Je was genoeg in de olie, toen je gisteravond thuis kwam. Vgl. oliebol, dronkenmansgezicht, ook oliekop en doorrooker genoemd (Ndl. Wdb. X, 115); glimmend gassie (in Jord. II, 282, tegen een dronkenlap). Zie no. 1051 en 1661.

1685. Het oog van den meester maakt het paard vet,

d.w.z. het persoonlijk toezicht maakt dat er zorg voor eene zaak gedragen wordt, dat men ze niet verwaarloost. Reeds bij Xenophon, Oeconomicus, XII, 20 luidt het antwoord op de vraag, wat een paard het vlugst vet maakt: het oog van den meester. Vgl. lat. frons domini plus prodest quam occipitium; mlat. in facie domini servus bene servit ocelli (Werner, 40). Zie bij ons Scaecspel, 145: Des heren oge maect dat peert vet ende die beste misse (mest) zijn die voetsporen des heren (vgl. Huygens, Sp. Wijsheit: Geen miss soo goed als s Land-heers voet); Prov. Comm. 387: Heeren oghen maken schone peerde, lux domini pulchrum facit ornatum caballum, ex visu domini fit pulchritudo caballi; Cats I, 500 c; De Brune, 353; 373 en 399; Huygens, Cluyswerck, vs. 67 en Spieghel, Hertsp. 94: des meesters oogh maakt gladde paarden. Synoniem was des meesters voeten beteren tlant, l'oeil du maistre engresse le cheval (= lat. oculi et vestigia domini res agro saluberrimae (Goedthals, 103Vgl. Otto, 251 en Mergh, 9: De beste mist die op den acker komt, is 's Heeren oogh.). Zie Bebel, no. 91; Harrebomée I, 377 b en III, 245; Ndl. Wdb. X, 2277-2278; Villiers, 90; De Cock2, 25; Waasch Idiot. 478 b; Wander I, 170 en Taalgids V, 178: Ver van je goud (goed) digt bie je schoa (= Campen, 10: wie veer vander handt is, die is nae by syn schade; Hooft, Ned. Hist. 417: Verre van hun goedt... heind by hunne schade); Ndl. Wdb. XIV, 189. Vgl. fr. l'oeil du maître engraisse le cheval; hd. das Auge des Herrn macht das Vieh fett; Graf Ego baut den Acker wohl und hat schöne Pferde; eng. the master's eye makes the horse fat (or the cattle thrive).

2107. Iemand in zijn eigen sop (of vet) laten gaar koken (of smoren),

d.w.z. zich niet met iemand bemoeien, hem geheel aan zich zelven overlaten. Ontleend aan spijzen, die genoeg eigen vet of sop hebben om gekookt of gebraden te worden, en geene andere zelfstandigheden daarvoor behoeven. Syn. van het 17de-eeuwsche zich met zijn eigen smeer of smout droopen; J.v.d. Veen, Antw. Wederbotten:

 Soo veel my aenraeckt, 'k vind my genoegh gewroken,

 Want in syn eygen vet sien ick den vogel koken.Ndl. Wdb. IV, 99; III, 3464Eene andere verklaring in Tijdschrift XXXIX, 159.. Vgl. Haagsche Reize, 29: Ik wachtede my voor al wel om hem te contradiceren of zyne dwaasheid aan te tonen, latende hem in zyn sop gaer kooken, en beantwoordende alles met stilzwygen; no. 170; Tuinman I, 104; Nest, 13: Hij had het liefst dat men hem maar in zijn sop gaar liet koken; Prol. 7: Och, laat 'm toch in z'n sop gaar koke.... as ie z'n eige door z'n wijf op z'n kop wil late zitte, lààt 'm z'n lol; Nkr. VIII, 9 Mei, p. 2; Het Volk, 14 April 1914, p. 9 k. 4; Handelsblad, 22 April 1914, p. 6. k. 3 (avondbl.); Op R. en T. 114: Kom Gerrit, laat ze maar in d'r vet gaar smoren; Nw. Amsterdammer, 20 Maart 1915, p. 9 k. 1: Nou kerel, laat hem dan in zijn vet gaarsmoren; Heyermans, Ghetto, 102: Laat 'r gaar koken in d'r eigen vuil; Rutten, 151 b: iemand laten stoven in zijn eigen nat; gron.-overijs. iemand in zien (eigen) vet loaten smoren, hem doodzwijgen (Molema, 451), dat ook voorkomt bij Pers, 666 b: Den Staeten in hun eygen vet te doen smooren; vgl. ook H.v.Z. 112: 'k Zal je maar in je eigen vet late gaarsmoore; Breuls, 87: Laot em in zen eige vet gaar kooke, laat hem links liggen, stikken. In het Friesch: immen yn 't sop bisoarje litte of yn syn eigen sop bikoelje litte; hd. einen in seiner eigenen Brühe kochen lassen (Wander I, 489); fr. faire cuire quelqu'un dans son propre jus; eng. to let a person stew in his own grease; frye inne oure owne gres (± 1370; Prick).

2325. Vieze varkens worden niet vet,

d.w.z. kieskeurigeIn de 17de eeuw is vies in deze beteekenis zeer gewoon; zie o.a. Huygens, Cluysw. 13; Hofwijck, 1205. varkens worden niet vet; bij overdracht: kinderen, die al te kieskeurig zijn, gedijen niet; vgl. het fri. smoarige of grûzige bargen dije best, morsige, vuile varkens groeien het best, dat ook in fig. toepassing van kinderen gezegd wordt; Harreb. II, 360 b; V. Schothorst, 127; Gunnink, 129; V.d. Water, 55: Smerege bagge worre niet fet; Op R. en T. 123: 't Is hier meestal treife (zie no. 1264), maar wat zal je doen, eten moet je toch en ik zal maar denken: vieze varkens worden niet vet. Vgl. op Goeree en Overflakkee: Een varken sterft niet van een vuilen, maar wel van een leegen bakN. Taalgids XI, 307.; hd. ein sauberes Ferkel wird selten fett.

2383. Het vette der aarde,

d.i. rijkdom en weelde; mnl. dat vette; eene uitdrukking, die ontleend is aan den Bijbel ‘waarin de woorden de vettigheden der aarde of des lands meermalen voorkomen om groote vruchtbaarheid, overvloed van koorn en gras en daarom groote welvaart aan te duiden’; zie Zeeman, 468; Laurillard, 61; Sp. d. Sonden, 9000: Den joden was belovet der erden vethede; Uit één pen, 118: Zij bezat van het vette der aarde zooveel, dat zij een klein huisje in eigendom had; Het Volk, 31 Juli 1915, p. 6 k. 4: Een theorie die hem leert dat voortdurend rijke menschen arm worden en arme menschen rijk, zoodat ieder op zijn beurt het vette der aarde geniet; vgl. o.a. Gen. XXVII, 28; 39; XLV, 18; enz.; fr. la graisse de la terre; eng. the fat of the land.

2384. Vet zijn,

d.w.z. dronken zijn; eig. glimmen door den drank; vgl. voor de verklaring in de olie zijn (zie no. 1662), syn. van laveloos zijn (in Jord. II, 240) of laveloos bezopen zijn (Nav. XXII, 427; Köster Henke, 38), door den pagger zijn (IndiëNdl. Wdb. XI, 151.). Vgl. Nest, 107: Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was, zou ik je tegen de wereld schoppen; St. L. 36: En ze drinken sterke dranken en ze worden meestal vet; Uit één pen, 111: Hij was zoo vet als een slak; Lvl. 27: X is vannacht weer vet thuis gekomen; P.K. 70: Hij is vet roept een van 't schellenkie, hij heit 'em om hoor! gilt een ander; Villiers, 137; Zandstr. 91: Vader nooit thuis of smoorvet; Zondagsblad v. Het Volk, 1905, bl. 370 (smoorvet); Steijnen, Verbijsterden, 136: straalvet; in Nkr. IV, 8 Mei p. 6: straalbezopen vet. Een dronkaard wordt een vetlap genoemd (Lvl. 28; Nachtkr. 8; 53); hd. (saksisch) fett sein, betrunken sein; einen Fettbauch haben, leicht angetrunken sein (Horn, Soldatenspr. 88). Vgl. met dit laatste het drentsche dik, syn. van doen, dronken (Bergsma, 89); Molema, 75: dikdoen, dik en doen of dik, (smoor)dronken Antw. Idiot. 351: dik, dronken; Ndl. Wdb. III, 2614: dik zijn, zoo dik als eene koe zijn, dronken zijn. Vgl. zat of vol zijn; hd. dial. knüppeldicke, drietedicke, waar ook uit blijkt dat de begrippen dik, vol en dronken kunnen samenhangen.

2385. Vet zijn met iets.

Spottenderwijs zegt men dit van iets, waarvan men geen voordeel of baat heeft; er niet mee geholpen zijn; syn. van er mooi mee zijn en het dial. er dik uit zijn, goed af zijn, in zeer gunstige positie gekomen zijn (Molema, 75); vgl. Gron. 164: Brummen gaat over, maar jij hebt net zoo goed kans, omdat je oom lid is van de schoolcommissie. - Nou, daar ben ik vet mee, dat heb je gezien in de eerste klas! S. en S. 58: Toe kreeg ik vier jaar. Had je toen 'n verdediger Snok? Nou, daar ben je vet mee; Antw. Idiot. 1363: me(t) iet vet zijn, er niet mee gebaat zijn, er geen voordeel van hebben; De Bo, 1318: ergens vet meê zijn, spottende gezeid voor er niet veel meê versteven zijn; Schuermans, 808: vet met iets zijn, met spot of twijfeling gezegd: wel met iets zijn; Tuerlinckx, 691. Vgl. ook het fr. en serez-vous plus gras, zoudt ge er beter aan toe zijn? In Noord-Holland beteekent vet raken, uit den dienst ontslagen worden (van dienstbodenDe Vries, 106.). Vgl. in Antw. Idiot. 1469: Zalig zijn met iemand of iet, er niet mee beholpen zijn.

2386. Het vet is van den ketel,

d.w.z. het beste is er af; daar is niet meer aan te verdienen, vooral gezegd van betrekkingen of handelszaken; syn. de room is er afNdl. Wdb. XIII, 1293.. ‘Dit zegt men, als het best, of meeste voordeel, weg is, gelijk wanneer de room van de melk geschept is. Zo zegt men ook: 't vet is van de pot, en daar zit geen vet meer op’; Tuinman I, 177; nal. 19. De uitdrukking dagteekent uit de Middeleeuwen, zooals blijkt uit Scaecsp. 61: Die ontscamel ghierighe, die altoos dat vet vanden pot hevet ghehadt ende zinen zac wel hevet ghevult; Sart. II, 4, 28: Canem excoriatum excorias, de room isser al af, ghy zijt al te laat op, het vet is al van den ketel, d.i. gij doet vergeefsche moeite, gij vischt achter het net; V.d. Venne, 228: Schuymers halen 't vetje van de pot; Spect. XII, 174: Dewyl nu aangaande die fraye negotie het vet meest van de ketel is; Harreb. I, 396; Lev. B. 70; Nkr. III, 7 Febr. p. 2; Kmz. 42; De Telegraaf, 30 Nov. 1914 (avondbl.), p. 5 k. 5: Men kan aannemen, dat, ten opzichte van dit zoete winstje het vet vrijwel van den ketel is; De Arbeid, 20 Febr. 1915, p. 4 k. 2: Als de schapen niet meer afdokken, dan is voor de groote massa zwarte en roode paters de room van de melk; Speenhoff VII, 37:

 Maar met me zeven jaar verkeering
 Is dat goddorie nou me straf.
 Nou hoef ik nie meer an te komme,
 Nou is 't vet bij mij d'r af.

In den zin van het geld is op komt ze voor in de Verm. Avanturesse, 1754, bl. 135. Zie verder Middelb. Avant. 171: Naauwelyks was de eerste room van de melk, d.i. waren de wittebroodsweken voorbij; Haagsche Reize, 63 (in obscoenen zin; eveneens in Jord. II, 391: Maar van Corry was 't roompje nog nie af, daar deed je geen linkdajem (meineed) voor); oosttfri.: de rôm of 't rômtje is d'r of (Ten Doornk. Koolm. III, 51; Dirksen I, 77); Joos, 104: daar is geen oogsken vet meer op; er is geen oortje smout meer aan, het potje is geschuimd; Antw. Idiot. 1363: het vet is van den pot of het vet is er af; Schuerm. 808 a: het vet is er af; 't Daghet XII, 187: de zaan van de melk scheppen, het beste wegpakken); fri.: it fet is fen e tsjettel ('t sop); syn. van de reamme is der ôf; it spek is ut 'e woartels; hy nimt my de reamme fen 'e aden (de melkmouden), hij pakt mijne voordeelen weg; in het mnl. dat vette afsiën (afscheppenVgl. Maerlant, Oversee, 150.), het beste wegnemen; 16de eeuw: dat vet afscumen; hd. das Fett (oder den Rahm) abschöpfen; fr. écrémer une affaire; eng. to take the cream off something; to skim the cream.

2387. Het is altijd vet in een andermans schotel,

d.w.z. ‘ontevreden met hetgeen men heeft, schat men altijd datgene hooger wat een ander bezit’; Ndl. Wdb. II1, 433. Deze gedachte wordt op gelijksoortige wijze door Ovidius de art. am. I, 349 uitgedrukt met de woorden fertilior seges est alienis semper in agris, vicinumque pecus grandius uber habetOtto, 13.. Vgl. verder bij ons Goedthals, 107: t' speck is altyts vetste in ander lieden pot, qui a la table assez n'aura au lieu des graces murmurera; in de Prov. Comm. 700: t' speck es altoos vetste in ander lieden pot, est tua plus massa mea quam pinguedine crassa; Campen, 113: in eens anders weyde syn de vetste beesten; tis altoes vet in eens ander mans koecken; Mergh, 38: in ander mans schotel ist altijt vetst; Sart. I, 7, 35: in een ander mans schotel ist altydt vetst; Spieghel, 295; De Brune, Bank. II, 407: Men zeght, dat het speck vetst is in ander lien pot; Tuinman I, 102: In een anders schotel is 't altijd 't vetst, de begeerlykheid en nyd veroorzaakt, dat de mensch niet te vreden is met het zyne, en altyd met een boos ooge aanziet 't geene den naasten toebedeelt is, als ware dat beter; Adagia, 42: in een andermans schotel, ist altijt het vetste, fertilior seges est alieno semper in arvo. Zie verder Harreb. I, 397 b; Menschenw. 292: t Is altait vet in 'n aeremans pot, hee? Vgl. Molema, 374 a: 't is altiid 't vetst in andermans schuddel; Boekenoogen, 908: op een âar zijn schotel is 't altijd het vetst, men houdt altijd eens anders deel voor beter dan het zijne; fri.: 't is altyd fet in oarmans skûtel; Wander I, 990; IV, 395; Ten Doornk. Koolm. III, 140 a; Eckart, 473. In Br. v. Abr. Bl. II de syn. uitdr. Overal het beste brood op buurmans tafel zien.

2388. Hij teert op zijn vet (of smeer),

d.i. ‘hij bestaat van het zyne, en behoeft niets meer. 't Is ontleent van zulke dieren, die 's winters zonder voedzel in hunne holen liggen en slapen, wanneer de natuurlyke warmte het vet verteert, 't geen zy des zomers vergadert hadden’; Tuinman I, 104. Vgl. Goedthals, 60: op zyn smout leven, vivre de sa graisse; Harreb. I, 277: op zijn smeer leven, leven van hetgene men vroeger gewonnen of gespaard heeft; Sewel, 755: Wy moeten nu op ons smeer teeren, we must live now by what we got formerly; in het Antw. Idiot. 1364: van zijn eigen vet lèven gelijk den das; Wander I, 990; Frischbier, 839; Eckart, 113: hei lêwt von sîn îgen Fett, wî de Tachs öm Winter; hd. von seinem eigenen Fette zehren; fr. vivre de sa graisse.

2389. Iets in 't vet hebben,

d.i. iets te goed hebben, iets te wachten hebben; eig. gezegd van vleesch, dat in een vetlaag wordt bewaard; bij overdracht gebezigd van iets, dat voor ons bewaard wordt; ook van genoegens of straffen gezegd, die ons nog te wachten staan. Vgl. Harreb. II, 375 b: Daar is wat in 't vet; Molema, 451 a: Nog wat in 't vet hebben, nog wat hebben te deelen, te verteren, uit den weg te maken; waarnaast bl. 441 a: Daar is nog wat in 't vat, te behandelen, te verhakstukken; er zijn nog pretjes in 't zicht. Vgl. Jord. 419: Nou, die fèlt in me gunst.... feur die stoat wèt in 't fèt! (in ongunstigen zin); Het Volk, 9 Jan. 1915, p. 1 k. 1: Wij hebben van Kerstmis af iets in het vet van een naamloozen schrijver in ‘De Fakkel’; Nw. School, VIII, 113: Trouwe lezers van De Nieuwe School weten dat ik nog altijd wat in 't vat had voor E. Hermans met z'n handleiding; Harreb. II, 362 a: Hij heeft nog iets bij mij in 't vat. Evenzoo in het fri.: hwet yn 't fet (vat) hâlde, in petto houden, voor later bewaren (no. 2331). In Zuid-Nederland iets in 't vet hebben, een buitenkansje, een feestje hebben; iets veur den tand hebben, iets in 't vooruitzicht hebben; iemand in de kuip of in het zout hebben, iemands erfenis verwachten (Schuerm. 307 a; Harreb. III, 512), waarbij aan pekelvleesch moet worden gedacht; vgl. Harreb. II, 512: Er ligt wat voor u in het zout; hd. er hat noch etwas (einen faulen Schinken) bei mir im Salze (auf der Nadel, im Fasze).

2390. Iemand zijn vet geven,

d.w.z. iemand duchtig de waarheid zeggen, de les lezen; eig. aan 't gebraad, dat zich zelf niet bedruipen kan (no. 170) zooveel vet toevoegen, als noodig is; het naar den eisch behandelen; op personen toegepast: geven wat hem toekomt, zijn portie geven, flink onderhanden nemenZie H. Beckering Vinckers in Tijdschrift XXXIX, 158.; Harreb. II, 376 a; Twee W.B. 165: k Heb 'r d'r vet gegeven. Mot dat kr..ng mij dat aandoen? Ppl. 4: Ik zal d'r morgen ochtend wel d'r vet geven, dat ze voor veertien dagen d'r mee toe kan; bl. 5: Ik zal straks de Flesch wel d'r vet geven; Kmz. 356: Maar ik heb ze d'r vet gegeve al knikte me knieë; Speenhoff, I, 25: Ik sta mijn man, dan geef ik ze hun vet; Mgdh. 276: Debatteere, dat is iemand z'n vet geve; De Tijd, 30 Mei 1914 p. 9 k. 3: De heer Schaper gaf daar de heeren Ter Spill en Nierstrasz hun vet; Handelsblad, 12 Dec. 1913 (avondbl.) p. 5 k. 4: Wanneer niet Briand was tusschen beide gekomen en de regeering en haar helper hun vet gegeven had; Nkr. IV, 10 Juli, p. 6; IX, 8 Mei p. 6: De werkvrouw, ook niet malsch, geeft 'm z'n vet terug; Nw. School III, 63: Maar vechten deden ze goed, de Noormannen kregen hun vet; VII, 358: Hij zou dien ‘haagschen meneer’ eens even op een nette manier z'n vet geven; De Amsterdammer, 8 Aug. 1915 (omslag) p. 4 k. 4: Ik ben door vijf Duitsche zeelui aangevallen en ik heb ze allen hun vet gegeven! Groningen IV, 190. Ook iemand op zijn vet geven in Lev. B. 139: We gaffe de scheerder en ze vrouw op d'r vet - niet zoo weinig hoor!; Molema, 574 a: iemand zien vet geven, met woorden tot zwijgen brengen, hem beschaamd maken; hd. einem sein Fett geben. Vgl. Grimm III, 1572: er soll sein Fett schon kriegen, seinen gebührenden Lohn empfangen; Woeste, 298: da hes du din fett!, so nun bist du schön angelaufen!; Eckart, 113: sin Fett hewwen, seinen Teil haben; Ten Doornk. Koolm. I, 473 a: de hed sîn fet dâr ôk gôd had. Synonieme uitdrukkingen zijn: hij zal er smout van hebben, hij zal er van lusten (Harreb. II, LXXVIII); iemand (af)vetten, slagen geven; vetting, pak slagen, rammeling (Antw. Idiot. 1365); iemand (af)boteren, afranselen (Teirl. 201); eng. schoolbutter, slaag (woordspel met to butt, stooten); iemand zijn peeën opscheppen (in Kl.-Brab. en zie Antw. Idiot. 905; 944; Ons Volksleven III, 27); iemand wat boter in de pap steken, hem straffenNdl. Wdb. III, 702.; iem. den baard smouten (Schuerm. 635); iemand de rystebry gaar koken (zie Gew. Weeuw. I, 55); iemand zijn erwten geven (in Vlaanderen); iemand kersen geven (Kl.-Brab.); iemand zijn zaad, zijn soep, zijn haver geven (Joos, 73); iemand zijn posie (portie) geven of opscheppen (Antw. Idiot. 991); iemand zijne soep uitscheppen (Rutten, 210 b; Tuerlinckx, 575); iemand zijne saus geven (Schuermans, 567 a); iemand zijn salade geven, hekelen (Rutten, 186); iemand tabakken, afranselen (Van Dale), in Zuidndl. aftabakken (fr. passer qqn à tabac; bargoensch: vertobacken, mishandelen) naast tabak, pak slaag (Tuerlinckx, 607); iemand zijn maatje vullen (Schuerm. Bijv. 192 a); fri. immen syn grande jaen, een pak slaag geven (eig. competente portie van eten of drinken). Vgl. ook het eng. to give a p. his gruel; to coock a p. his goose; fr. faire à qqn sa sauce, en verder no. 2084 en 2220.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut