Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verzuimen - (nalaten; afwezig zijn op)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

verzuimen ww. ‘nalaten; afwezig zijn op’
Mnl. uersumen ‘nalaten, verwaarlozen’ [1240; Bern.], ‘nalatig zijn, zondigen’ in die costumen Daer menech plegt hem an uersumen ‘de gebruiken, waar menigeen zich aan pleegt te onttrekken’ [1265-70; VMNW]; vnnl. versuymen ‘afwezig zijn op (een plaats waar men verwacht wordt)’ in lessen versuymen [1615; iWNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub c) van een simplex dat in het Middelnederlands niet geattesteerd is, maar wel verschijnt als vnnl. suymen ‘vertragen, talmen’ [1556; Dasypodius]. Wel is opgetekend mnl. suimenesse ‘nalatigheid’ [1330; MNW] (met het achtervoegsel → -nis).
Mnd. vorsumen ‘nalaten, nalatig zijn, veronachtzamen’ (vanwaar door ontlening nzw. försumma); ohd. firsūmen ‘id.’ (nhd. versäumen). Ofri. ūrsūmia ‘onbenut laten voorbijgaan’ is wrsch. een ontlening aan het mnd. Zonder voorvoegsel: ohd. sūmen ‘toegeven’ (mhd. sūmen ‘talmen, treuzelen’; nhd. säumen). Vanwege de zwakke vervoeging wrsch. een denominatief werkwoord, bij een bn. pgm. *sūma- ‘nalatig, onachtzaam’ (Heidermanns, 567).
Herkomst onduidelijk. Heidermanns vergelijkt de woordvorm met het bn.ruim 2 ‘wijd’ bij pie. *reuh1- ‘openen’ (bij Heidermanns *reuə-) en veronderstelt dat pgm. *sūma- op dezelfde manier gevormd is bij een wortel pie. *seuə- ‘laten, toelaten’ (IEW 915, met dezelfde etymologie; zo ook bij NEW, Kluge, Pfeifer). Het belangrijkste verwante woord is dan Grieks eãein ‘id.’, maar dat leidt LIV juist af van een andere wortel, pie. *h1ueh2- ‘verlaten, opgeven, ophouden’ (LIV 254, zie → wan(-)), waar pgm. *sūma- niet van afgeleid kan zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verzuimen* [nalaten] {versu(y)men 1201-1250} van ver- + middelnederlands -sumen [nalatig zijn], middelnederduits vorsumen, oudhoogduits farsumen, oudfries ursumia; buiten het germ. zeer misschien grieks eāō [ik laat, laat liggen, laat varen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verzuimen ww. mnl. versûmen, mnd. vorsūmen, ohd. farsūmen (nhd. versäumen), ofri. ūrsūmia ‘verzuimen, ongebruikt laten voorbijgaan’, daarnaast bij Kiliaen ook het simplex, mhd. sūmen ‘ophouden, vertragen’ (nhd. säumen). — gr. eáō (< *seu̯ai̯ō) ‘laat toe’, van idg. *seu̯e-, ‘loslaten, nalaten?’ (IEW 915).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verzuimen ww., mnl. versûmen. = ohd. farsûmen (nhd. versäumen), mnd. vorsûmen, ofri. ûrsûmia “verzuimen, onbenut laten voorbijgaan”. Bij Kil. en mhd. (nhd.) mnd. komt ook het simplex met de bet. “talmen” voor (mnl. wel sûmenisse v. “verzuim”, Zeeland), in ’t beschaafde Ndl. van nu slechts als germanisme gebruikt. De basis sûm- kan een verlenging zijn van sû-, ablautend met swê-, waarbij zich weer de bij zoen besproken basis swê-n- “(doen) bedaren” aansluit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verzuimen. Het Ags. kent sûm-nes (ss) v. ‘vertraging, uitstel’.
Zeer onzekere combinatie met gr. eáō ‘ik laat (toe)’ (*seϝaō).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2versuim ww.
1. Verontagsaam of verwaarloos. 2. Nie bywoon nie. 3. Talm of vertoef.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. verzuimen (1510 in bet. 1, 1615 in bet. 2). In bet. 3 uit verouderde Ndl. verzuimen (1526). Ndl. verzuimen uit Mnl. versu(y)men of versûmen wat, alhoewel die herkoms verder onseker is, wsk. 'n afleiding met ver- van Mnl. -sumen 'nalatig wees' of Mnl. sûmen 'talm' is.
D. versäumen.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vezeumm verzuimen (Enschede). = mnl. versoemen ‘id.’. = mndd. versomen, ≠ nl. verzuimen maar daarmee abl. verwant.
Bezoen 1938. 19.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verzuimen ‘nalaten’ -> Deens forsømme ‘nalaten te doen wat je moet doen, wegblijven van waar je moet zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forsømme ‘veronachtzamen, vergeten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds försumma ‘nalaten’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect forzoûmer ‘veronachtzamen, vergeten’; Negerhollands versuum ‘nalaten’; Sranantongo verzuim ‘nalaten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verzuimen* nalaten 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal