Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verzadigen - (ten volle voeden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verzadigen ww. ‘ten volle voeden’
Vnnl. versadigen ‘ten volle voeden, al iemands wensen vervullen’ in Ick wil hem versadighen met langhen leuen ‘ik wil hem zo lang laten leven als hij wil’ [1562; iWNT], 't Pauselijk gebroed dat noyt versadigt is [1567; iWNT verzadigd], om synen hongerigen buyck te versadighen [1604; iWNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub d) van het synoniem zadigen, mnl. sadighen, zoals in Dat hi u sadigen oft spysen wil [1529; MNW], maar al ouder op grond van de afleiding in mnl. Dat hy is een sadigher der hongherigher [1476; MNW sadigen]. Mnl. (ver)sadighen heeft het achtervoegsel → -igen en is gevormd naast de oudere synoniemen mnl. saden en versaden. Dit zijn afleidingen van het bn. mnl. sat ‘genoeg gegeten en gedronken hebbend’, zie → zat, naast versadich [1525; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verzadigen* [ten volle voeden] {1562, vgl. versaden 1285} middelnederduits saden, oudhoogduits satōn; van zat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verzaden, verzadigen ww., mnl. versāden, mnd. vorsāden, samenstelling van mnl. sāden, sēden (naast laat-mnl. sādighen), mnd. sāden, sēden (naast sādigen, sēdigen), ohd. satōn, mhd. sat(t)en, set(t)en (naast set(t)igen, nhd. sättigen), afl. van zat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verzadigen, verzaden ww., nog niet bij Kil. Van mnl. versāden (nnl. verzaden) = mnd. vorsāden “verzadigen”. Later-mnl. reeds sādighen naast sāden, sēden = ohd. satôn, mhd. sat(t)en, set(t)en (set(t)igen, nhd. sättigen), mnd. sāden, sēden (sādigen, sēdigen) “id.”, deels ook “verzadigd worden”. Van zat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verzadigen, naast ouder verzaden: zie bij eindigen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verzaden o.w., denomin. van zat.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verzadigen, verzaden, van zat, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verzadigen ‘ten volle voeden’ -> Japans hōwa ‘in natuurkunde: satureren, lett. verzadigen tot harmonie’; Chinees baohe ‘in natuurkunde: satureren’ ; Negerhollands versaedig ‘ten volle voeden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verzadigen* ten volle voeden 1562 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal