Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verwittigen - (doen weten)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verwittigen* [doen weten] {1511} van ver- + wit3 [zin].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verwittigen ww. sedert de 16de eeuw, door Kiliaen ‘vetus, Holl.’ genoemd, naast verwetighen, afl. van mnl. wittich, os. wittig, ohd. wizzīg (nhd. witzig), ofri. wittich, oe. wittig ‘verstandig, kundig’, on. vittugr ‘toverkundig’ (naast vitugr ‘verstandig’), afl. van het znw. mnl. wit, os. giwit, ohd. giwizzi, ofri. wit, oe. (ge)witt o. ‘verstand, kennis’, on. vitt o. ‘tovermiddel’ en mnd. witte v., ohd. wizzī v. (nhd. witz) ‘verstand, kennis’ en onfrank. witti ‘prudentiam’. — Zie verder: weten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verwittigen ww., sedert de 16. eeuw, door Kil. als “vetus. Holl.” opgegeven (naast verwetighen). Een ook mnd. afl. van mnl. wittich (gh), ohd. wizzîg (nhd. witzig), os. ags. wittig, ge-wittig (naast (ge)witig) “verstandig, kundig”, on. vittugr “tooverkundig” (: vitugr “verstandig”). Dit sluit zich aan bij ohd. wizzî v. (nhd. witz m.), mnd. witte v. “verstand, kennis” resp. mnl. wit, ohd. gi-wizzi, os. gi-wit (tt), ofri. wit (tt), ags. (ge)witt o. “id.” (eng. wit), on. vitt o. “toovermiddel”; onfr. witti “prudentiam” kan ’t v. of o. woord zijn. Bij weten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verwittigen. Bij mnl. wittich enz. adde: ofri. wittich ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verwittigen o.w., denomin. van *wittig, Mnl. wittich, Os. wittig = kundig + Hgd. witzig: afgel. van wit 3 (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

verwittig ww.
Laat weet, meedeel.
Uit Ndl. verwittigen (al Mnl.), 'n afleiding met ver- van wittig (Mnl. wittich) 'bekend'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

verwittig: bekend stel, meedeel; Ndl. verwittigen (in SNdl. soos in Afr. ook sonder voors., in NNdl. gew. m. voors. van), sedert 16e eeu, by Kil naas verwetighen as “vetus. Holl.” opgegee, afl. v. Mnl. wittich, “kundig, verstandig” (vgl. Hd. witzig, Eng. witty wat aansl. by Hd. witz en Eng. wit), hou verb. m. gewete, wet, wettig, wetlik, ens., waarvan gewete na d. vb. v. Hd. gewissen wat op sy beurt eint. ’n vert. was v. Lat. conscientia (Eng. conscience), eint. “medewete”; by vRieb verwittight worden van; v. ook wis II.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verwittigen, van ’t Mnl. wittich = verstandig, kundig. Vgl. ’t Mnl.: „Hare derde kint, dat wittich was ende goet”. Verwant met het Os. wit = verstand, ons weten. Het woord w.d.z.: aan ’t verstand brengen; doen weten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verwittigen ‘doen weten’ -> Fries ferwittigje ‘doen weten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verwittigen* doen weten 1511 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut