Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verwaten - (trots)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verwaten* [trots] {1679, vgl. verwaten [vervloekt, veroordeeld] 1201-1250} verl. deelw. van middelnederlands verwaten [in de kerkelijke ban doen, vervloeken, veroordelen], oudnederlands farwatan {901-1000} oudsaksisch farwatan, oudhoogduits fir(h)wazan, ablautend oudnoors hóta, gotisch hwōtjan [dreigen], vgl. ook oudnoors hvatr [scherp, snel]; samenhangend met wetten; de huidige betekenis misschien beïnvloed door verwaand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verwaten bnw. ‘aanmatigend’, onder invloed van verwaand heeft het deze bet. gekregen (W. de Vries Ts 43, 1924, 131), oorspr. ‘verdoemd, in de kerkban gedaan’, deelw. van het ww. mnl. verwâten ‘vervloeken’, onfrank, farwātan, os. forhwātan, ohd. firwāʒan. — Te verbinden met wetten; wat de betekenis aangaat is te letten op got. hwōtjan, on. hōta ‘dreigen’, mogelijk ook op on. hvāta ‘doorboren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verwaten bnw., met bet.-wijziging = Kil. mnl. verwâten “vervloekt, in den ban”. Deelw. van het redupliceerende ww. mnl. verwâten “vervloeken” = onfr. farwâtan, ohd. firwâʒan, os. farhwâtan “id.”. Ablautend met on. hôt o. mv. “bedreigingen”, got. hwota v. “bedreiging”, on. hôta, hø̑ta, got. hwotjan “dreigen”. Wsch. bij wetten: vgl. vooral on. hvâta, ozw. høta (formeel = wgerm. *-χwâtan resp. on. hø̑ta, got. hwotjan) “doorboren”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verwaten. De bet.-wijziging naar verwaand ( W.de Vries Tschr. 43, 131).
Os. farhwâtan: Hs. for-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verwaten bijv., eigenl. v.d. van Mnl. verwaten = vervloeken, Onfra. farwâtan, Os. farhwâtan + Ohd. farwâʒan (Mhd. verwâʒen), met abl. On. hóta, Go. hwotjan = dreigen: oorspr. onzeker.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

verwaten. God verwate u ‘moge God u veroordelen tot de eeuwige ondergang, u verdoemen, vervloeken, verwerpen, verstoten’. Het zijn deze betekenissen die aan de verwensing ten grondslag liggen. Geen citaten meer van na 1666; oudste citaat 1521.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verwaten, van ’t Mnl. werkw. verwaten = vervloeken: „’t verwaten eedgespan”. Vgl. ’t Mnl.: „God moeste den boom verdoemen ende verwaten”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verwaten* trots 1679 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut