Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vertrekken - (weggaan)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vertrekken* [weggaan] {vertrecken 1287} van ver- + trekken [naar een andere plaats trekken].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vertrekken ww. Met de bet. “proficisci” komt reeds mnl. mnd. ver-, vor-trecken voor, een samenst. van ’t intrans. trekken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vertrek ww.
1. Weggaan, verhuis. 2. Skeef trek.
Uit Ndl. vertrekken (Mnl. vertrecken).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vertrekken ‘een andere uitdrukking doen aannemen; weggaan’ -> Fries fertrekke ‘afreizen, weggaan’; Deens fortrække ‘een andere gezichtsuitdrukking geven; weggaan om problemen te voorkomen’; Noors fortrekke ‘zich terugtrekken; verdwijnen; een andere gezichtsuitdrukking geven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vertrekken* weggaan 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1647. Met de noorderzon vertrekken,

d.w.z. in den nacht of ook wel bij dag stil heengaan, ongemerkt, dikwijls met veel schulden; er vandoor gaan; de breêveertien opgaan (zie no. 349). In die landen, waar de zon gedurende een tijd van het jaar niet ondergaat, schijnt zij, wanneer het bij ons nacht is, uit het noorden; vandaar dat men in de 17de eeuw onder de noorderzon middernacht verstond, evenals onder zuiderzon den middag. Vgl. Coster, 505, vs. 260. Ten twaelven, by Noorder Son; Huygens VI, 82:

 Trijn pleitte voor haer' man, wanneer hij op syn pad
 Somtijds by noorder Son een deur ontgrendelt had.

De uitdrukking staat opgeteekend bij Winschooten, 270: Verhuisen met de Noorderzon, dat is, verhuisen sonder huur te betaalen: betaalen den huiswaard met bedstroo; Van Moerk. 337; Baardt, Deugden-Sp. 254; Loosd. Weesk. 22; Tuinman I, 139; Sewel, 525: Met de noorder Zon verhuizen, to steal away, to go away privately; Joos, 97; Ndl. Wdb. IX, 2130; enz. In de 16de eeuw zeide men volgens Kiliaen, 416: De nevelkarre drijven: met de nevelkarre ende int doncker vertrecken ende ruymen, cedere foro, welke uitdr. in Zuid-Nederland nog gebruikt wordt (Schuerm. 408 b; Antw. Idiot. 855; Joos, 109 en vgl. Gew. Weeuw. IV, 42) naast den luchtbal opsteken (De Bo, 652). Synoniem was in de middeleeuwen metter dagheraet (-dagherheit) ruymen (zie Noord en Zuid II, 44; Tijdschr. V, 194); in de 18de eeuw, volgens Sewel, 231: Een gat in de Maan maaken, met de Noorder Zon verhuizen, to steal away, to go away privately (vgl. het fr. faire un trou dans la lune; hd. ein Loch in den Mond bohren; eng. to shoot the moon), en thans in West-Vlaanderen: verhuizen met de lanteern aan den dijsel = dissel (De Bo, 232).

1765. Met pak en zak vertrekken,

d.w.z. met alles wat men bijeen kan pakken en in zijn reiszak kan doen op reis gaan. De verbinding pak en zak kwam in de middeleeuwen reeds voor. Vgl. Mnl. Wdb. VI, 53; Plantijn: Sijn pack ende sack maken om heymelick te gaen strijken; Pamfl. Rogge II2, 124 (anno 1600): Dat een yeghelyck van stonden aen maecke syn pack ende syn sack ende setten hem aen de reyse; Van Lummel, 352:

 Syn soldaten deed' hy dregen
 Sack ende pack in de schans,
 Al hadden sy als boeren gevlucht.

Drieduym, d'Enckhuyser Ybocken, 52: Mijn pack en sack is al gereet, ick meen wel haest van hier te scheyden. Zie verder Sart. III, 10, 54: met sack met pack; De Brune, 471; Winschooten, 183; Sewel, 628; Ndl. Wdb. XII, 161; Waasch Idiot. 503 b; Antw. Idiot. 1955; De Jager, Lat. Versch. 420; Suringar, Erasmus, CCXL: pakken en zakken; Afrik. met sak en pak vertrek (aankom). In Zuid-Nederland gebruikt men hiervoor ook met bed en bult, met galg en rad, met klikken en klakken (Joos, 49; Schuermans, 33 b; 245 a; Claes, 114); zich hoopt en geduwen (of geknoopt) oppakken en vertrekken (Schuerm. Bijv. 127 b); hijsen en trijsen, haspen en spillen; fr. son sac et ses quilles (De Bo, 1185 a); fri. mei pak en sak; oostfri. mit sak un pak ûttrekken; voor het nd. zie Eckart, 442 en vgl. hd. mit Sack und Pack; eng. with bag and baggages; bag and sack; sack and pack. Zie no. 990.

2292. Met de (of een) stille trom vertrekken (of aftrekken),

d.w.z. stil, ongemerkt vertrekken, zich verwijderen; eene uitdrukking, die ontleend is aan het krijgswezen, en eig. gezegd wordt van soldaten, die zonder de trom te roeren stilletjes aftrekken. Vgl. Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 281: Men brack al heimlijck op en zonder eenigh teken van horen en trompet, of hut in brant te steecken; Brederoo, I, 42, 937: Hoort, helden van mijn bloedt, treckt sonder trommel-slagh met opgherolde vanen in aller stilten heen. In de 17de eeuw in overdr. zin aangetroffen bij Brederoo, Sp. Brab. vs. 1179:

 Wat komter vrydaechs een gerit ter poort indringen,
 Van revelduytsche en van vreemde hommelinghen,
 Al ghesonde Wijven, met besieckte doecken om,
 By hiele vaendels vol, doch met een stille Trom.

Zie verder Hooft, Ned. Hist. 9; 176; Vondel, Pascha, vs. 1487: Bellon die listich ons met een stille trom bekruypt, wanneer wy slapen; Op den Optoght der Schutteryen t' Amsterdam, vs. 48: Met eene stille trom afdruipen; Pers, 160 a; 530 b; V. Avant. I, 151; Kale Utr. Edelman II, 75; Middelb. Avant. 123; Tuinman I, 335; Focquenb. Typhon, 3de sangh 425: Terwyl sy sonder Fluyt, of Trom gelijck als halve Nickers vlooden; Halma, 651: Met een e stille Trom opbreeken of verhuizen, décamper à la sourdine, déloger sans trompette; fr. déloger sans tambour ni trompette; vroeger déménager à la sonnette de bois; Esopet, Pallasch, 8: Met een stille trom opkramen; Harreb. II, 345; Nkr. II, 13 Sept. p. 2: Ik dacht dat dat comité zich zelf al lang met stillen trom begraven had; Nkr. VIII, 23 Mei p. 3; Onze Eeuw, XIV, 1323; Joos, 109: met het stil trommeken vertrekken; hd. Ohne Sang und Klang abgehen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut