Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

versperren - (blokkeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

versperren ww. ‘blokkeren’
Mnl. versperren ‘afsluiten, blokkeren’ in ene steghe ..., die die heren ... solen ghebruken erflike sonder versperren ‘een steeg, die de heren en hun erfgenamen kunnen gebruiken zonder dat deze afgesloten wordt’ [1338; MNW], een onverspeerden wegh ‘een niet-afgesloten weg’ [1363, kopie 1721; MNW].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub d) van → sperren in de betekenis ‘afsluiten, belemmeren door afsluiting, blokkeren’. Versperren was aanvankelijk vooral oostelijk Middelnederlands; gebruikelijker was de afleiding besperren ‘belemmeren, afsluiten’. In de 17e eeuw werd het woord algemener.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

versperren* [afsluiten door het plaatsen van een hindernis] {versperren, verspar(r)en 1338} afgeleid van spar1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

dwarsbomen

Iemand dwarsbomen dat wil zeggen: iemand belemmeren in zijn werk, iemand beletten zijn plannen ten uitvoer te brengen, betekent letterlijk: iemand de weg versperren door er een boom dwars over te leggen. Precies hetzelfde vinden wij in het woord versperren, dat eigenlijk is: met een spar afsluiten. Niet alleen landwegen, maar ook waterwegen werden vroeger op die wijze ontoegankelijk gemaakt. Na zonsondergang werden natuurlijk de stadspoorten gesloten. Dan sloot men tevens de waterwegen die toegang gaven tot de stad af met een zware boomstam die op het water dreef en aan beide oevers met een ketting vastlag. ‘Aan voor boomsluiten thuis te zijn was geen denken’, schrijft Hildebrand in de Camera Obscura, als door Pieter Stastoks onfortuinlijke onderdompeling in het Spaarne de deelnemers aan het roeitochtje zich verlaat hebben. Dat gebruik is verdwenen en daarmede de letterlijke betekenis van dwarsbomen, dat zich echter in figuurlijke zin heeft gehandhaafd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

versperren ww. mnl. versperren ‘afsluiten; verspreiden’, mhd. versperren ‘afsluiten, insluiten’, afl. van spar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

versperren, reeds mnl. mhd.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sperren, versperren, denom. van spar; letterlijk: met een spar den weg afsluiten. Sperren verkreeg zoo de bet. van sluiten; dus opensperren (bijv. den muil) = open-sluiten, openen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

versperren* afsluiten door het plaatsen van een hindernis 1338 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut