Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verslinden - (verzwelgen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verslinden* [verzwelgen] {1201-1250} vgl. ablautend middelnederlands slont, slonde, slunt [keel, gapende muil, afgrond, kolk], oudsaksisch farslindan en slund [slok], oudhoogduits (far)slintan (hoogduits verschlingen en Schlund); buiten het germ. mogelijk verwant met lets līst [kruipen, sluipen]; de grondbetekenis zou dan zijn ‘doen glijden’, vgl. slenteren, slede.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verslinden ww., mnl. verslinden naast slinden, os. farslindan, ohd. farslintan, slintan, got. fraslindan, waarnaast abl. mnl. slont ‘keel, muil; afgrond’, os. slund m. ‘teug, slok’, ohd. slunt (nhd. schlund) m. ‘keel, muil’. — Men vergelijkt lit. lendù, lindaú, līsti, lett. lìenu, lìdu, lìst ‘kruipen, insluipen’ van idg. wt. *(s)lindh, waarnaast *slind, waarvoor zie: slenteren, beide van *(s)leidh, waarvoor zie: slede (IEW 960-1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verslinden ww., mnl. verslinden, ook slinden. = ohd. (far-)slintan (nhd., oorspr. md. (ver-)schlingen), os. far-slindan, got. fra-slindan “verslinden”. Met ablaut mnl. slont (d), ohd. slunt (nhd. schlund) m. “keel, muil”, os. slund m. “haustus”. Men denkt aan verwantschap met lit. lendù, lį̄sti “kruipen, sluipen”: de bet. “verslinden” zou dan op “doen glijden” teruggaan; hoogst onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verslinden. Over lit. lendù, lį͂sti zie nog bij slenteren Suppl. (slot).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slinden o.w., Mnl id., Os. slindan + Ohd. slintan (Mhd. slinden, Nhd. schlingen, met dial. ng uit intervoc. nd, waarnevens subst. schlund), Go. slindan, nasaleering van den wortel van *slijden: z. slieren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verslind ww.
1. Gulsig opeet. 2. Verbruik. 3. Begerig kyk na. 4. Geboeid lees of luister na.
Uit Ndl. verslinden (1540 in bet. 1, ongeveer 1560 in bet. 2, 1782 in bet. 3, 1857 in bet. 4), 'n afleiding met ver- van slinden (al Mnl.) 'verswelg'. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die bet. 'verslaan'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verslinden ‘verzwelgen’ -> Engels † forsling ‘verzwelgen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verslinden* verzwelgen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut