Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verschonen - (van schoon goed voorzien, mooier maken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verschonen* [van schoon goed voorzien, excuseren, mooier maken] {verscho(o)nen [opsieren, bevoordelen, met consideratie behandelen] 1248; als ‘excuseren’ ca. 1560} van schoon [fraai].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verschonen ww. ‘verfraaien; verontschuldigen; ontzien, sparen’, mnl. verschônen, verschoenen ‘sieren, bevoordelen; ontzien’, mnd. mhd. (ver)schōnen (nhd. verschonen, schonen). Uitgaande van ‘op mooie wijze, d.i. behoedzaam behandelen’ komt men tot die van ‘ontzien, sparen’. — Afl. van schoon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verschoonen (sparen), mnl. verscônen naast scônen. Dit laatste noemt Kil. “Sicamb.”, verschoonen geeft hij zonder een dgl. toevoeging op. = mhd. mnd. (ver)schônen (nhd. (ver)schonen). Van schoon; oorspr. bet.: “op schoone wijze behandelen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verschoonen o.w., Mnl. versconen + Hgd. verschönern en verschonen: in beide bet. denomin. van schoon, en = schoon maken of op schoone wijze behandelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verskoon ww.
1. Ontsien, spaar, vrylaat. 2. Skoon klere aantrek. 3. Verontskuldig. 4. Verlof vra of gee, bv. om 'n vertrek te verlaat.
In bet. 1 uit verouderde Ndl. verschonen (1532). In bet. 2 en 3 uit Ndl. verschonen (1660 in bet. 2, 1755 in bet. 3). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. excuse (1926).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

verscho’nen (verschoonde, heeft verschoond), schoonmaken. Man raakte zichtbaar geïrriteerd. Reageerde dat af, op het kind met die ’boterneus’*, dat fo eens en fo altijd gesommeerd werd, haar neus te verschonen (Cairo 1977: 167). - Etym.: In AN in deze bet. veroud.; thans o.m. ’zich v.’ = vuile, gedragen kleren verwisselen voor schone.
— : verschonen met, geslachtsgemeenschap hebben met. Nee, ’t ging hem nie om Gusta, zij was oorzaak, aanleiding misschien. Maar ’t ging om iets anders, ondanks dat hij, vlak daarvoor, ’met zijn vrouw had verschoond’ (Cairo 1978b: 176). - Syn. baksen* (2); zie aldaar voor andere syn.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verschoonen, Hgd. schonen = sparen; eig. op schoone wijze behandelen, d.w.z.: voorzichtig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verschonen ‘van schoon goed voorzien, mooier maken; (verouderd) sparen’ -> Duits dialect verschonen ‘van schoon goed voorzien’; Deens forskåne ‘sparen, versparen, van iets of iemand verlost zijn of worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forskåne ‘besparen, vrijwaren’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh verschonen ‘schone kleren aandoen’; Negerhollands skoon ‘verschonen, afruimen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verschonen* van schoon goed voorzien, mooier maken 1248 [MNW]

verschonen* excuseren 1560 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut