Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verroeren - (bewegen)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verroeren ‘bewegen’ -> Sranantongo ferur ‘uitspoken’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2395. Geen vin verroeren (of bewegen),

d.i. geen lid verroeren, zich stil houden, geen duim verroeren (zuidndl.); eig. gezegd van een visch; later ook van andere dieren en van menschen. Sedert de 16de eeuw had vin de algemeene beteekenis van lid, zooals blijkt uit Anna Bijns, Refr. 421:

 Reyn geestelijke blijdschap schept nu van binnen,
 Herte, leden, vinnen, wilt trueren afsnijen.

Nw. Refr. 35: Al mijn vinnen, aderen en pesen die duncken mij crimpen; bl. 48: Ic wil gaen springen en rueren mijn vinnen; bij P.C. Hooft van den wind gezegd: al zyn' vinnen van zich steken, zich duchtig roeren (Ged. II, 223 vs. 152); Brieven, 199: Vêer nocht vin des oorloogs van zich steekende; Coster, 18 vs. 252: Hy klaecht immers dat hy niet ien vin noch ien lidt an sijn Lijf kan reppen; Van Moerk. 347; bij Antonides II, 80: Al steekt een storm de vinnen op; De Brune. Bank. II, 331: Die echter met de armen in 't kruys blijven gapen, zonder vin of steert te roeren; Haagsche Reize, 138: Zy wierd niet 't allerminste gewaar, en verroerde geen vin; Tuinman I, 288: Hy durft niet een vin verroeren; Van Effen, Spect. X, 237; Taalk. Magazijn III, 115; Harreb. II, 380 b; Dievenp. 31; 66; 110; Falkl. VI, 126: Een dochter die te lui was om 'n vin te verroeren; Nederland, Juni 1914, p. 136; Oudemans, VIII, 630; fri.: hy kin fin noch fear (for)reppe; oostfri.: hê kan gên fin of fôt rören (Ten Doornk. Koolm. I, 485); De Bo, 1326 a: noch vim noch vlerke roeren of noch teil (tein) noch vlerke roeren (bl. 1478 a); Joos, 46: het dierken roerde vim noch vaam; vgl. ook Ons Volksleven XI, 180: alles aan de vinnen hangen, te veel geld aan kleederen besteden; Afrik.: roer jou vinne; nig 'n vin verroer nie; vgl. eng. fin, arm, hand.In dieventaal is bekend: een vin zetten, een vensterruit stuk maken. Vgl. Dievenp. 95: 'n Vin zetten is moeilijker ook brutaler. Ze steken 'n stevig mes of 'n scherp voorwerp tusschen den splint, waarin het glas vastzit en draaien hun mes om; dan barst de sterkste winkelruit met 'n mooie ronde bocht; Köster Henke, 72: een vin in een ruit zetten, een barst er in maken. Onder een ‘vin’ moet men een soort breekijzer verstaan. Vgl. hd. Finne, schmale, keilförmig zugespitzte Hammerbahn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut