Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verlof - (vrijstelling, toestemming)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

verlof zn. ‘vrijstelling van dienst, toestemming’; (BN) ‘vakantie’
Mnl. verlof ‘toestemming of opdracht om weg te gaan, ontslag’ in do hem die scepen verlof gheven ‘als de schepenen hem ontslaan’ [1361; MNW] (dit is de enige bekende attestatie uit het Middelnederlands); vnnl. ende gheeft hem verlof tegen die winter ende jaecht hem ten huyse uut ‘en ontsla hem tegen de winter en jaag hem het huis uit’ [1504; iWNT], ook algemener ‘toestemming’ in sonder enich verlof ‘zonder enige toestemming’ [ca. 1540; iWNT], ‘(officiële) vergunning’ in verlof ... hebben van onsen Stadt-houder [1561; iWNT].
Wrsch. ontleend aan Middelnederduits vorlōf ‘toestemming om te gaan; ontslag’ (WNT), afleiding van vorloven ‘toestemmen, toestaan’, dat wrsch. ontstaan is door substitutie van het in het Middelnederduits minder gebruikelijke voorvoegsel er- in erloven ‘id.’, waarvoor zie → oorlof ‘toestemming’. Afleiding van mnl. verloven ‘plechtig beloven’, waarvoor zie → verloven, is onwrsch. omdat de betekenissen slecht overeenkomen; vnnl. verloven in de betekenis ‘verlof geven’ is van het zn. verlof afgeleid.
De oorspronkelijke, maar ook nu nog actuele betekenis van dit woord is ‘vrijstelling van dienst’. Aanvankelijk had deze vrijstelling meestal een min of meer permanent karakter en kon verlof synoniem zijn met ontslag. Tegenwoordig is verlof in principe tijdelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verlof* [vergunning] {1361 in de betekenis ‘vergunning, i.h.b. om te vertrekken’} vermoedelijk van ver- + lof, middelnederlands lof [lofprijzing, toestemming, goedkeuring, verlof] (vgl. verloven).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verlof znw. o., laat-mnl. verlof, mnd. vorlof o. ‘verlof, afscheid’, zie ook: oorlof — Uit nnl. nog ne. furlough (sedert 1625, vgl. Bense 115).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verlof znw. o., laat-mnl. verlof o. = mnd. vorlō̆f o. “verlof, afscheid”. Zie verder bij oorlof.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verlof. Uit het Ndl. eng. furlough, met initiaalaccent wellicht naar oorlof.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verlof s.nw.
1. Toestemming. 2. Toestemming om van diens vrygestel te word, of die verloftyd self.
Uit Ndl. verlof (1556 in bet. 1, 1592 in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

verlof’ (het), (ook:) vakantie (behalve schoolvakantie). Dan geef ik Estelle drie weken verlof, volgens sociale zaken hoef ik maar één week te betalen, maar ik wilde wat extra geld geven () (van Westerloo & D. 10). - Etym.: In deze bet. in AN vooral nog in ambtelijke kring, overigens verouderend.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

in verlof. - Men zegt in het Nederlandsch met verlof: in elke Hollandsche courant kan men dagelijks berichten lezen aangaande Oostindische ambtenaren die met verlof naar het vaderland komen. In verlof is de Zuidnederlandsche vertaling van fr. en congé, in welke uitdrukking congé beteekent: verloftijd, terwijl verlof in met verlof beteekent: toelating, vergunning, nl. om naar huis te gaan. Het volk zegt in congee (1), waardoor het gebruik van in verlof nog bevorderd wordt. || In verlof, titel van een gedicht van J. V. BEERS, Rijz. Bl. 63. Hoor toch, wat een jolijt! Vast jongens, die weer in verlof gaan! V. BEERS, Rijz. Bl. 66 (zie ook 85). Daaruit moesten de geburen opmaken, dat Constant zou vloeken als een ketter, wanneer hij in verlof kwam, DE VOS, Vl. Jong. 140. Onze loteling was weer in verlof bij zijne ouders, 173. Na eenigen tijd vertrok hij in onbepaald verlof, naar Parijs. Onze Dichters 34.

(1) Althans in Vlaanderen; zoo schrijft dan ook Dr A. DE VOS, Vl. Jong, 173: “Er (kwam) op de orders een ministeriëel besluit, waarbij juist aan de militianen zijner klas ... bericht werd dat al degenen onder hen, die hunne schuld op de kleedermassa aflegden, onmiddellijk in onbepaald congé zouden gezonden worden.” Volgens D. CLAES, Gemengde taal- en letterkundige Aanmerkingen, blz. 63, zegt men ook op verlof, maar waarschijnlijk slaat dit op Brabant of Antwerpen. Naar de Heer D. Claes mij medegedeeld heeft, wordt op verlof gebruikt in ’t Hageland.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verlof ‘vergunning; vrijaf’ -> Engels furlough ‘geoorloofde afwezigheid; vrijbrief, vergunning’; Schots † forloff ‘vergunning’; Deens forlov ‘officiële toestemming’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Zweeds förlov ‘vergunning, toestemming, permissie’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch perlop ‘vrijstelling van dienst; vrijaf’; Jakartaans-Maleis perlop ‘vrij krijgen’; Javaans perlop ‘vergunning; eervol ontslagen’; Madoerees pērlop ‘vrij van werk’; Makassaars paralố ‘vakantie’; Soendanees pĕrlop ‘vergunning, toestemming voor afwezigheid’; Petjoh perlop ‘vergunning’ <via Indonesisch/Maleis>; Negerhollands (mee) verloov ‘geoorloofde afwezigheid’; Papiaments ferlòf, verlòf, vèrlòf ‘vakantie’; Surinaams-Javaans perlop, ferlof ‘(met) verlof (gaan, zijn)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verlof* vergunning 1361 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leubh- ‘gern haben, begehren; lieb’, z. T. mit Entwicklung von ‘gern haben’ zu ‘gutheißen, loben’, im germ. auch von ‘Liebe’ zu ‘Zutrauen, Vertrauen, Glaube’, leubho- ‘lieb; Verlangen’

Ai. lúbhyati ‘empfindet heftiges Verlangen’, lōbháyati ‘erregt Verlangen’ (formell = germ.*lauƀjan, das aber Denominativ zu *lauƀa-, ags. lēaf), lōbha- m. ‘Verlangen, Gier’ (= ags. lēaf usw.), lubdhá- ‘gierig, ausschweifend; verführt’ (= gr. λυπτά);
gr. λυπτά· ἑταίρα, πόρνη Hes.;
alb. laps ‘wünsche, begehre’, wohl auch tosk. lumë, geg. lum ‘glücklich, selig’, lumnī ‘Ruhm, Seligkeit’ (Partiz. *lubh-no- eigentlich ‘was man gern hat, lobt’);
lat. libet, älter lubet, -ēre, -uit, -itum est ‘es beliebt, ist gefällig’, lubens, libens ‘gern, willig’, lubīdo, libīdo ‘Begierde’; osk. loufir ‘vel’ (vgl. abg ĺubo - ĺubo ‘vel - vel’);
got. liufs, aisl. liūfr, ahd. liob, ags. lēof ‘lieb’ (= abg. ĺubъ); davon abgeleitet *liubēn ‘lieb sein, gefallen’ in ags. lēofian, ahd. mhd. liuben; *liubjan in ags. ge-lýfan, ahd.(ga)liuben, ursprünglich ‘lieb machen’; got. galaufs ‘begehrenswert, schätzbar, wertvoll’; ags. lēaf ‘Erlaubnis’, ahd. urloub (und urlub) ‘Urlaub’; got. Denom. ga-laubjan ‘glauben’, us-laubjan ‘erlauben’, aisl. leyfa (Denom.) ‘erlauben; loben’; ahd. gilouben ‘glauben’, irlouben ‘erlauben’, ags. līefan, ā-líefan ‘erlauben’, gelīefan ‘glauben’; aisl. lof n. ‘Lob, Erlaubnis’, ags. lof n. ‘Lob, Preis’, ahd. lob n. ds. sind Postverbalia zu aisl. lofa ‘preisen, gestatten’, ahd. lobōn (Denom.) ‘loben, preisen, bewilligen, versprechen’, nhd. loben, geloben, verloben; got. lubains ‘Hoffnung’; ags. lufu, ahd. lupa f. ‘Liebe’, davon *lubōn in ags. lufian, ahd. lubōn ‘lieben’, ahd. gilubida ‘Gelübde’;
lit. (auf Grund eines es-St. *leubhes-) liaupsė̃ ‘Lobpreisung’, liáupsinti ‘lobpreisen’;
abg. ĺubъ ‘lieb’ (russ. ĺúbyj usw.), wovon ĺubiti ‘lieben’, ĺuby ‘Liebe’ (usw.).

WP. II 419, WH. I 793 f., Wissmann Postverbalia 37 ff., 80 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal