Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verlies - (het kwijtraken; nadeel, schade)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verlies znw. o., mnl. verlies o. m. ‘verlies, schade, verderf, ongeluk’, mnd. vorlēs o. (nhd. verlies ‘kerker’, sedert het eind der 18de eeuw uit het nnd., eig. ‘plaats waarin men verloren gaat’). — Afl. van verliezen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verlies znw. o., mnl. verlies o. m. “verlies, schade, verderf, ongeluk”. = mnd. vorlês o. “id.” (nhd., oorspr. ndd., verlies o., oorspr. “plaats waarin men zich verliest”, dan “hok, kerker”). Van ’t ww. mnl. verliesen (nnl. verliezen). ohd. farliosan (nhd. verlieren met r in ’t heele paradigma naar het verl. deelw. en het mv. van het praeteritum), os. farliosan, ofri. for-, ûrliâsa, ags. forlêosan (eng. verl. deelw. forlorn), got. fraliusan “verliezen”. Het simplex komt niet voor. Met ablaut ohd. forlust v. (nhd. verlust m.), mnd. vorlust, ofri. ûrlest, got. fralusts v. “verlies, ondergang”, ohd. os. farlor, ags. forlor m. “id.”, on. losna “los worden”, got. fralusnan “verloren gaan”. Zie verder leur III, loor, loos II. Germ. leus- is een verlenging van de idg. basis leu-, lū̆- “losmaken”, waarvan ook lat. luo “ik boet, betaal”, so-lvo “ik maak los”, gr. lū́ō “id.”, oi. lunā́ti, lunóti “hij snijdt, snijdt af”. Een deelw.-formatie *lū̆no- behalve in oi. lûná- “(af-)gesneden” in got. lun (o.; of luns m.?) “losgeld” (waarbij ags. â-lynnan, â-lynian “losmaken”, got. us-luneins v. “verlossing”), wsch. ook in ier. lûn “gesneden schaap”. Uit het Germ. brengt men nog on. lûinn “gebroken, vermoeid”, lŷja “kloppen, vermoeien” en m. “zeis” (*lewan-; hoe is mnd. (lêhe) v. “id.” te verklaren?) hierbij (evenzoo gr. laīon, oi. laví- “sikkel”). Hoogerop kan deze basis lū̆- met de bij sluimeren besprokene identisch zijn: oorspr. bet. “los, slap zijn of maken”. Zie nog bij looien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

verluus (zn.) verlies; Middelnederlands verlies <1350>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verlies ‘het kwijtraken; nadeel, schade’ -> Deens forlis ‘schipbreuk’; Noors forlis ‘schipbreuk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds förlust ‘nederlaag’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut