Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verlegen - (bedeesd, zich ongemakkelijk voelend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verlegen bn. ‘bedeesd, zich ongemakkelijk voelend’
Mnl. verleghen ‘verslapt, verzwakt, zijn kwaliteiten verloren hebbend’ in out ende sere verlegen ‘oud en erg verzwakt’ [1300-50; MNW], verleghenen winen ‘verlegen wijnen’ maar ook wel ‘bedorven wijnen’ [1368; MNW], ‘geen raad wetend met’ in alrehande airm volxkijn, dair sij mede verlegen souden geweest hebben ‘allerlei arm volk, waarmee ze geen raad zouden hebben geweten’ [1470; MNW]; vnnl. Ver-leghen van ghelde ‘verlegen om geld’ [1599; Kil.], om troost verlegen [1629-30; iWNT], verlegen ‘bedeesd’ in: Vrymoedig, onbevreesd, niet verlegen [1701; iWNT vrijmoedig].
Oorspr. verl.deelw van mnl. verliggen, o.a. ‘verkeerd liggen, blijven steken; (door liggen) verslappen, wegkwijnen, tekortschieten’, zoals in in den pas Daer ic uerlegen binnen was ... wilen eer ‘in de toestand, waarin ik eertijds verzeild was geraakt’ [1265-70; VMNW], mit enen peerde dat daer verlach ‘met een paard dat daar wegkwijnde’ [1382-87; MNW], en is afgeleid met het voorvoegsel → ver- van → liggen. Het als bn. gebruikte verl.deelw. heeft een eigen betekenisontwikkeling ondergaan van ‘verslapt, verzwakt, zijn kwaliteiten verloren hebbend’ (oorspr. door te lang liggen) via ‘tegenspoed ondervindend, zich in een moeilijke situatie bevindend, niet goed wetend wat te doen’ (reeds Middelnederlands) naar ‘zich onzeker voelend, bedeesd’. De betekenis ‘zich in een moeilijke situatie bevindend’ was tot in de 18e eeuw nog heel gewoon, maar beperkte zich later tot de twee vaste voorzetselverbindingen verlegen zijn met (iets) ‘geen raad wetend met, niet precies wetend wat ermee te doen’ en verlegen zijn om (iets) ‘behoefte hebben aan’.
Mnd. vorlegen en mhd./nhd. verlegen ‘verlegen’, bij de werkwoorden vorliggen resp. verliegen, hebben een vergelijkbare betekenisontwikkeling ondergaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verlegen* [bedeesd] {1704, vgl. verlegen [zwak, belemmerd, in verlegenheid zijnde] 1265-1270} eig. verl. deelw. van middelnederlands verliggen, verleggen [door te lang liggen bederven, verslappen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verlegen bnw., mnl. verlēghen ‘door liggen bedorven, afgeleefd, uitgeput’, Kiliaen ‘lastig’, vermoeid (vetus) ‘verouderd’, mnd. vorlēgen ‘waardeloos, zwak, traag’, mhd. nhd. verlegen. deelw. van mnl. verligghen ‘te lang liggen, krachteloos, ongeschikt worden’, mhd. verligen ‘door te lang liggen bederven’. — Uit de bet. ‘traag werkeloos’ ontwikkelde zich die van ‘besluiteloos’, dan ook ‘verlegen’ (in nhd. eerst sedert 1741).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verlegen bnw., bij Kil. = “incommodus, importunus: et Impeditus: et Fessus: et Vetus: obsoletus”, mnl. = “door liggen bedorven, afgeleefd, uitgeput”. Deelw. van mnl. ver-ligghen “te lang liggen, krachteloos, ondeugdelijk, ongeschikt worden”. Evenzoo mhd. verlëgen (nhd. verlegen), mnd. vorlēgen “waardeloos, zwak, traag”. De bet. “schuchter” is uit “traag, zich traag en lastig bewegend” te verklaren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verlegen. Mnl. verlēghen ook al = ‘belemmerd, niet wetend waarheen, in verlegenheid zijnde’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verlegen bijv., + Ndd. vorlegen = krachteloos, waardeloos: verl.deelw. van verliggen = door liggen slecht worden, ook uit zijn positie geraken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verleë b.nw.
1. Nie weet hoe om te reageer nie. 2. Behoefte hê aan, hulp benodig. 3. Bedees, skamerig.
Uit Ndl. verlegen (al Mnl. in bet. 1, 1615 in bet. 2, 1704 in bet. 3), die voltooide dw. van verliggen 'deur te lank te lê jou krag of kwaliteite verloor'. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm verlee'.
D. verlegen (18de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verlegen ‘bedeesd; in vergenheid; (verouderd) wanhopig’ -> Fries ferlegen ‘bedeesd’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis farlégen ‘om iets verlegen zijn of aan iets gebrek hebben’; Javaans perlègen ‘bedeesd’; Petjoh ferlehen ‘beschaamd’; Negerhollands verlegen, verleegen ‘bezorgd’; Sranantongo ferleigi ‘bedeesd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verlegen* bedeesd 1704 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut