Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verlakken - (bedriegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verlakken ww. ‘bedriegen’
Mnl. verlacken ‘in de val lokken of laten lopen’ in so verlacte hi den beer ende sloech hem sijn rechter oor of [1481; MNW]; vnnl. verlacken ‘id.’ in als hyse verlacken can of betrapen ‘als hij (= de vos) ze (= de kippen) te pakken kan krijgen’ [1500-24; iWNT], Ick sal, eer een iaer, meer dan duysent sielen verlacken ‘ik (= de duivel) zal binnen een jaar meer dan duizend zielen in de val lokken’ [ca. 1518; iWNT], Mijn maerte en icke sullen hem verlacken ‘mijn dienstmeid en ik zullen hem beetnemen’ [1541; iWNT], dan zal de wereld met al haare mooie praatjes, ons niet verlakken [1789; iWNT].
Etymologie onzeker. Volgens FvW, FvWS, Verc., WNT en EDale afgeleid van mnl. lac ‘strik, snoer, val’, dat zou zijn ontleend aan Frans lacs (/la/, ouder /las/) ‘strik, snoer’ < Oudfrans laz < vulgair Latijn *laceus < klassiek Latijn laqueus. De -c- is in het Frans echter nooit als /k/ uitgesproken en kan dus nooit tot een Nederlands woord met /k/ hebben geleid. Bovendien zijn er van mnl. of vnnl. *lac ‘strik, snoer’ geen betrouwbare attestaties bekend; vnnl. lac ‘snoer’ [1594; Stall. II] is een verkeerde lezing voor bac of sac.
Men overweegt ook wel identiteit met het gelijkluidende verlakken ‘met lak bedekken’, vnnl. verlacken [1500-24; iWNT verlakken II], bij het zn.lak 1 ‘verfstof ter afdekking’ (NEW). Men moet dan denken aan ‘met lak bedekken en daarmee gebreken van het materiaal onzichtbaar maken’ of ‘zilver met een laagje schellak bedekken om het op goud te laten lijken’. De oudere betekenis van verlakken ‘te pakken krijgen’ sluit daar echter slecht bij aan.
Volgens WNT (in het lemma lak IV) is verlakken een afleiding van → lak 2 ‘maling’ (als in ergens lak aan hebben), ouder ‘gekheid, larie’, maar dat is zeer onwaarschijnlijk, aangezien dat woord pas 19e-eeuws is. Ook het omgekeerde wordt wel beweerd, dus dat lak ‘maling’ is afgeleid van verlakken (FvWS, NEW), maar dat is eveneens onwaarschijnlijk, zie → lak 2.
Een laatste mogelijkheid is dat verlakken is afgeleid van mnl. lak ‘gebrek, mankement, tekortkoming’, zie → laken 1 ‘afkeuren’. De oorspr. betekenis zou dan ‘verwonden’ kunnen zijn geweest, misschien zelfs nog in de attestatie uit 1481.
De afleiding verlakkerij ‘het bewust bedriegen of voorliegen’ [1894; Groene Amsterdammer] en de samenstelling volksverlakkerij in de volksverlakkerij van den gouden stoet [1912; Volk] worden frequent gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verlakken [bedriegen] {verlacken [verstrikken, in de val lokken] 1481} van middelnederlands lac [strik, snoer] < latijn laqueus [strik, valstrik].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verlakken ww., mnl. (laat) verlacken ‘bedriegen, verleiden’, zal wel eigenlijk betekenen ‘met lak bedekken’ (en daarmee gebreken van het materiaal onzichtbaar maken?) en dan afgeleid van lak 2. — Uit het ww. verlakken is dan weer het woord lak 3 ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verlakken ww. Kil. verlacken “illecebris fallere: pellicere”, laat-mnl. verlacken “bedriegen, verleiden”. Men gaat wel van lak I, maar gew. (met meer recht) van oudnnl. lac o, “strik” (< fr. lacs, lat. laqueus; vgl. lats) uit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lak III (nonsens, fopperij). Voor het tegenw. taalgevoel = lak II, terwijl verlakken ‘foppen’ als een afl. hiervan wordt gevoeld. Dit ww. dat reeds laat-mnl. voorkomt, heeft wellicht tot het opkomen van lak III aanleiding gegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verlakken o.w.(foppen), van ouder lac = strik, uit Lat. laqueus: z. lats.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verlakken ‘bedriegen’ -> Petjoh perlak, verlakken ‘bedriegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verlakken bedriegen 1521-1525 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2369. Iemand verlakken,

d.i. iemand bedriegen, eig. iemand verstrikken, daar dit werkw. eene afleiding is van het znw. ‘lak’ in den zin van strik, lat. laqueus, fr. lacs (vgl. lat. lactare, bedriegenAan een afleiding van lak (hars) kan niet worden gedacht, daar het ww. ouder is dan dit znw., dat eerst bij Kiliaen wordt aangetroffen. Zie Ndl. Wdb. VIII, 927-928.); syn. van iemand verniggelen, vernichelen (Boekenoogen, 1128; Het Volk, 15 April 1915, p. 1 k. 3: Het gevolg is, dat de fijne heeren, met hun verheven blik op het ondermaansche en hun teeder besnaard gemoed, het gevoel hebben verniggeld te zijn); besabelen (in M. de Br. 85); besabbelen (V.v.d.D. 199), verneuriën (in Nachtb. 146; Landl. 8; 117; 191; 224; V.v.d.D. 8; Boefje, 61; verneurie- derij (in Boefje, 69Vgl. 17de eeuw: den neur houden met iemand, iemand voor den gek houden, en zie voor de ontwikkeling der beteekenis het fr. enchanter, lat. incantare; 17de eeuw: deunen met iemand.). Vgl. Mnl. Wdb. IV, 67; Mar. v. Nijm. 588: Ick sal eer een iaer meer dan duysent sielen verlacken; Stallaert II, 133; Kiliaen: Verlacken, illecebris fallere, pellicere; ook iemand lakken (bij Ogier); zie verder Trou m. Bl. 68; 181; Heemskerk, Minnek. 84: Soeckt u mee-vryer in geen stricken te verlakken; Hooft, Brieven, 243; 266; Huygens VI, 165:

 Die de Leewerck wil verlacken,
 Moet sich vroegh ten bedd' uyt packen.

Brederoo I, 17, vs. 10: Ick plach de bloode Haas in 't Legher te verlacken; Oudemans, Wdb. op Brederoo, 431; op Hooft, 375; Taalgids I, 301; Janus, 96: Wij hebben u verlakt; t' is waar: hard verlakt! Maar, eilieve! waarom zouden wij het niet gedaan hebben? Zulk een schoone gelegenheid, om zoo een aantal gekken bij den neus te leiden, biedt zich niet alle dagen aan; C. Wildsch. III, 67; 255; Br. v. Abr. Bl. II, 100; V.v.d.D. 192; Barb. 153; Nw. School III, 110; VII, 250; Groot-Nederland, 1914, bl. 396; Leersch. 129; Nkr. II, 2 Mei p. 2; III, 17 Jan. p. 2; VII, 22 Maart p. 6; verlakkerij in Nkr. VIII, 15 Febr. p. 6; fri. bilakke, forlakke, verlakken; forlakker, guit, bedrieger; oostfri. ferlakken; vgl. ook het hd. jemand lackieren, lackmeiern (afgeleid van het znw. lack (hars), jem. leimen (vgl. fr. coller qqn) en het amer. to gum, fr. leurrer qqn, welke uitdrukkingen aan de vogelvangst ontleend zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut