Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verknocht - (gehecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verknocht bn. ‘gehecht’
Mnl. vercnocht in de betekenis ‘geknoopt’ in Scorpio ... heuet enen uercnochten start ‘De schorpioen heeft een staart met knopen’ [1287; VMNW]; vnnl. vercnocht, verknocht ‘vast verbonden, verplicht’ in 't geen, daar elk burger ... toe verknocht is [1638; WNT], ‘verbonden, gebonden’ altijt verknocht blijven aende Graeflijckheyt van Hollant [1641; WNT], ‘innig verbonden, gehecht, trouw’ in verknocht aen Godts geboden [1654; WNT]; nnl. verknocht ‘gekoppeld, nauw verweven’ in handel en zeevaart onafscheidelijk aan elkander verknocht [1841; WNT], ‘innig gehecht, zeer toegedaan’ in aan het huis van Oranje met geestdrift verknocht ‘het huis van Oranje enthousiast toegedaan’ [1875; WNT], twee verknochte vriendinnen [1910; WNT].
Verl.deelw. van mnl. vercnopen, vercnoppen ‘binden, vastknopen, verstrikken’ [1287; VMNW]; de vorm vercnocht vertoont de overgang door Primärberührung van -pt naar -ft (zie → bruiloft) en daarna van -ft naar -cht (zie → achter), zoals ook het verl.deelw. verkocht bij → kopen. Het ww. verknopen is afgeleid met het voorvoegsel → ver- (sub d) van het werkwoord → knopen, dus ‘geheel aaneenknopen’. De betekenis is sinds het eind van de 19e eeuw beperkt tot gehechtheid door liefde, vriendschap en innige voorkeur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verknocht* [gehecht] {1654} de middelnl. vorm vercnocht(en) [vastgeknoopt] {1287} is een oud verl. deelw. van vercnopen, vercnochten [dichtbinden, aan zich binden], vgl. verkocht bij verkopen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verknocht bnw. eerst sedert Kiliaen bekend, het oude deelw. van verknopen, evenals mnl. beknocht = ‘beknopt’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verknocht bnw., nog niet bij Kil. Voor de formatie zie bij beknopt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verknocht bijv., van verknoopen: vergel. verkocht, verkoopen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

verknog b.nw.
Innig geheg aan.
Uit Ndl. verknocht (1654), die verlede dw. van verknoopen 'iemand se hart of siel deur 'n bepaalde vorm van betrokkenheid of verwantskap koppel aan, ten nouste verbind met', of mntl. ook die verlede dw. van verknochten met dieselfde bet.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verknocht, verl. deelw. van verknoopen = verbinden; vgl. verkocht, van verkoopen. Bij H. de Groot ook „welverknochte verzen” (goedgebonden, goed samenhangende, degelijke). Vgl.: „In zijn neusdoek heeft hij dese schat geknocht.”

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verknocht* gehecht 1654 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut