Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vergen - (eisen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vergen ww. ‘eisen’
Mnl. verghen ‘(met aandrang) vragen, verlangen, verzoeken’ in Doen en wilde hijs hem nemmer verghen ‘toen wilde hij het niet meer van hem vragen’ [1340-60; MNW-R], des ... niet meer te verghen noch te verzoecken ‘dat niet meer te verlangen of te verzoeken’ [1349; MNW]; vnnl. vergen ‘(ver)eisen, dringend verlangen’ in Dan is van dat gewest geen roosjen meer te vergen [1655; iWNT], Zoude het te veel van u gevergd zijn, ... indien [1799; iWNT], Niets verg ik dan den wind ‘ik heb niets meer nodig dan de wind’ [1809; iWNT].
Os. fergon ‘verzoeken, opeisen’; ohd. fergōn ‘verlangen, smeken, verzoeken’; nfri. fergje ‘eisen, aandringen’; < pgm. *fergōn-.
Een ablautende vorm van de wortel van → vragen.
In de oudste attestaties staat de vereiste zaak in de genitief en de aangesproken persoon in de accusatief, maar in de loop van de tijd komen ook andere syntactische constructies voor. Tegenwoordig heeft vergen altijd de vereiste of benodigde zaak als lijdend voorwerp. Een eventuele persoon of zaak waar iets van wordt verlangd, staat meestal in een bepaling met van. Deze constructie is voor het eerst in 1655 geattesteerd, maar werd pas in de 19e eeuw gewoon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vergen* [eisen] {1350 in de betekenis ‘(met aandrang) vragen’} oudsaksisch, oudhoogduits fergon; ablautend bij vragen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vergen ww. mnl. verghen ‘vragen, dwingen tot’, os. fergon, ohd. fergōn ‘vragen, vorderen’ staat abl. naast vragen. Later-mnl. en Kiliaen hebben ook de bet. ‘voorstellen, voorleggen, aanbieden’, waarsch. uitgegaan van een bet. ‘met aandrang iemand een voorstel doen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vergen ww., mnl. verghen “vragen, iemand dwingen tot iets”. = ohd. fërgôn, os. fërgon “vragen, vorderen”. Ablautend met vragen. Vgl. vooral lit. perszù “ik doe voor iemand een aanzoek” (infin. pir̃szti).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vergen. Opmerkelijk en moeilijk te verklaren is de later-mnl., ook bij Kil. en Plant. vermelde, bet. ‘voorstellen, voorleggen, aanbieden’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vergen o.w., Mnl. verghen, Os. fergon + Ohd. fergôn (Mhd. vergen, Nhd. fergen), On. fergia: abl. bij vragen; vergel. vorschen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vragen, van den Germ. wt. freh = verzoeken, bidden; Idg. prek; vgl. ’t Lat. precari = bidden. – Een metathesis is vergen; verwant is vorschen, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vergen ‘eisen’ -> Fries fergje ‘eisen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vergen* eisen 1350 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

perk̑-4, prek̑-, pr̥k̑- ‘fragen, bitten’, pr̥k̑-skā- ‘Frage’

1. sk̑o-Präs. *pr̥k̑-sk̑ō, woraus *pr̥sk̑ō: ai. pr̥ccháti ‘fragt’, av. pǝrǝsaiti ‘fragt, begehrt’ (Partiz. paršta-), ap. aparsam ‘ich frug’; arm. e-harc̣ ‘er hat gefragt’ (: ai. á-pr̥cchat), davon das Präs. harc̣anem; lat. poscō ‘fordere, verlange, er bitte’; ir. arco ‘ich bitte’, cymr. archaf, corn. arghaf ds., mbret. archas ‘il commanda’ (air. imm-chom-arc ‘gegenseitiges Fragen, Begrüßen’ usw.) mit ar aus vor dem s der Grundf. *pr̥skō (aus *pr̥k̑-skō); lit. peršù, pir̃šti ‘für jemanden freien’ (piršlỹs ‘Freiwerber’), wenn mit analogischem Präs.-Ablaut e statt i; dazu ai. pr̥cchā́ ‘Frage, Erkundigung’ = arm. harc̣ ds.; ahd. forsca ‘Forschung, Frage’ ist Postverbale zu forscōn ‘fragen, forschen’; lat. postulō ‘fordere’ (Deminutiv vom Partiz. *posctos zu poscō);im Osk.-Umbr. ist *porscō zu *perscō umgebildet: umbr. persnimu Imper. Med. ‘precātor’, dazu mit (Formans -(e)lo-) umbr. persklu, pesklu ‘supplicātiōne’, ferner mars. pesco ‘sacrificum’, und vom Partiz. *pes[c]to- aus: osk. pestlúm, peeslúm ‘templum’, woraus messap. πενσκλεν ‘Bethaus’.
2. Ai. prāś- ‘(gerichtliche) Befragung’, av. frasā f. ‘Frage’, ai. pr̥ṣṭhā- (= av. parštå-) ‘Gerichtsfrage’, praśná-, av. frašna- m. ‘Befragung, Frage’ (= ahd. fragan ‘Specht’ KZ 62, 31, 2), arm. harsn ‘Braut, Neuvermählte, Schwiegertochter’ (vgl. got. fraíhnan); lat. procus ‘Freier’, prex f. ‘Bitte’, precor, -ārī ‘bitten’, umbr. pepurkurent 3. Pl. Fut. ‘poposcerint’; got. fraíhnan ‘fragen’, aisl. fregna, ags. frignan (und i̯o-Präs. fricnan) ds., as. Prät. fragn; ags. friccea ‘Herold’; germ. *frehti- in aisl. frētt f. ‘Frage, Erforschung’, ags. freht f. ‘Wahrsagung’; ahd. frāga ‘Frage’ (*frāg-ōn, -ēn, frāhēn ‘fragen’), aisl. frǣgr, ags. ge-frǣge, as. gi-frāgi ‘berühmt’; ablaut. ahd. fergōn ‘bitten’; aisl. prositi ‘bitten’; lit. Iterat. prašaũ, -ýti ‘fordern, bitten’; toch. A prak-, В prek- ‘fragen’.

WP. II 44, WH. II 346 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal