Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verdwijnen - (weggaan, verloren gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verdwijnen ww. ‘weggaan, verloren gaan’
Mnl. verdwinen ‘verteerd worden, wegkwijnen’ in mire pine Dar hic in deluue ende verdwine ‘mijn verdriet, waar ik in wegkwijn en wegteer’ [1290; VMNW], ‘verloren gaan, uit het zicht verdwijnen’ in Nv wart den man verdwenen sijn goet ‘nu was het bezit van de man verloren gegaan’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. verdwijnen oft verswinden ‘afnemen, wegteren; weggaan, verloren gaan, in rook opgaan, ophouden te bestaan’ [1573; Thes.]; nnl. verdwijnen ‘steeds verder afnemen, wegslinken’ in Uw welvaard, Spanje, gaat verdwynen [1769; WNT], ‘ophouden te bestaan’ in die duistere wolken zyn verdweenen [1785; WNT], (een vriendschap) verdween als sneeuw voor de zon [1787; WNT], ‘vertrekken’ in een oogenblik daarna was zij verdwenen [1858; WNT], ‘wegraken, onvindbaar worden’ in brak de kabel af en verdween in de diepte [1908; WNT], ‘ophouden te bestaan of te worden aangetroffen’ in (een zeker type lamp) is ... uit de practijk verdwenen [1908; WNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub a) van mnl. dwinen ‘afnemen, verminderen’ [1285; VMNW]. De betekenissen ‘wegteren, versmachten’ enz. raakten in het begin van de 18e eeuw in het Nederlands in onbruik.
Oe. dwīnan ‘afnemen, verdwijnen’; (afleiding ne. dwindle); on. dvīna ‘id.’; < pgm. *dwīnan-. Met andere anlaut, maar met vergelijkbare betekenis ‘wegkwijnen, afnemen’: a) *þw: ozw. thwīna (nzw. tvina); b) *sw: ohd. swīnan; on. svína; c) *kw; ned. (weg)kwijnen.
Pgm. *dwīnan- gaat terug op een nasaalpresens bij de wortel pie. *dhgwhei- ‘vergaan’ (LIV 150) en is verwant met: Grieks phthínein ‘verdwijnen, omkomen’; Sanskrit kṣināti ‘vernietigt’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verdwijnen* [weggaan] {verdwinen [afnemen, wegteren, tenietgaan, doen verdwijnen] 1290} het meest waarschijnlijk te verbinden met oudengels dwinan, fordwinan [verdwijnen, afnemen, omkomen] (engels to dwindle), oudnoors dvína [idem], verwant met oudengels dwæscan [blussen]; buiten het germ. oudiers dīth [nadeel, einde, dood], armeens di [lijk], op afstand verwant met dood1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verdwijnen ww., mnl. verdwînen, ook dwînen ‘verdwijnen, slinken, afnemen, kwijnen’. Dit woord kan teruggaan op germ. *dwīnan zowel als *þwīnan; beide zijn bekend, vgl. 1 *dwīnan: oe. dwīnan, fordwīnan ‘afnemen, verdwijnen, omkomen’ (ne. dwindle), on. dvī̆na ‘zwak worden, verdwijnen’, vgl. oe. dwæscan (< *dwaiskjan) ‘blussen’, van idg. *dhu̯-ei vgl. oiers dīth (< *dhu̯ītu-) ‘einde, dood’, arm. di ‘lijk’, een verlenging van *dheu-, waarvoor zie: dood; en 2 *þwīnan: oe: ðwīnan ‘slinken, afnemen’, ozw. þwīna ‘door ziekte afnemen’, naast oe. ðwænan ‘week maken, door water doen slinken’, ozw. þwæ̆na (< *þwěna = þwĭna) ‘door ziekte wegteren’. Een afl. van de idg. wt. *tǝu ‘smelten’, waarvoor zie: dooien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verdwijnen ww., mnl. verdwînen naast dwînen “verdwijnen, slinken, afnemen, kwijnen” (ook met causatieve bet.). Of = ags. dwînan, for-dwînan “afnemen, verdwijnen, omkomen” (eng. to dwindle), on. dvîna “verdwijnen, afnemen” naast ablautend dvëna “id.”, òf – minder wsch. wegens de overeenstemming van verdwijnen met ags. for-dwînan en wegens de zeer speciale bet. van ags. ðwînan – = ags. ðwînan “slinken (doordat water e.dgl. op een gezwel wordt gelegd)”, ozw. þvîna “versmachten, wegkwijnen” naast ablautend þvæna “id.”. Het causativum hierbij is ags. (â-, ge-) *ðwæ̂nan “week maken, door water en dgl. doen slinken”. Ook kunnen in verdwijnen beide ww. zijn samengevallen. De eerstgenoemde woorden zijn met ags. dwæ̂scan “blusschen” en verder met ier. dîth “nadeel, einde, dood”, arm. di “lijk, aas”, hoogerop met dood I gecombineerd, de laatstgenoemde met ier. tinaid “evanescit”, gr. síalos, -on “speeksel, vet”, hoogerop met dooien. Gr. sī́nomai “ik roof, breng schade toe” is ten onrechte gecombineerd. Voor de verhouding van idg. dhwī̆- : dheu-, twī̆- : tew- (taw-) vgl. lat. trîtus : tero, idg. bhwî- (vgl. zijn II.) : bhû-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verdwijnen. Gr. síalon ‘speeksel’ hoort wsch. evenmin als het hiermede niet te vereenzelvigen síalos ‘vet’ bij ags. ðwînan enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verdwijnen ono.w., Mnl. verdwinen, dwinen + Ags. dwínan (Eng. to dwindle), On. dvína; daarnevens Ags. đwínan, Ozw. thvina (Zw. tvina, De. tvine); ook nog synon. en wellicht verwante stammen bij kwijnen en zwinden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verdwyn ww.
Onsigbaar word, weggaan, wegraak.
Uit Ndl. verdwijnen (Mnl. verdwinen). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling verdwyn pleister.
Vgl. Eng. dwindle.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verdwijnen, van ’t Mnl. dwinen of dwijnen = slinken, afnemen, vergaan; bijv.: „Dus sal emmer sijn here dwinen” = aldus zal steeds zijn leger verminderen. „Scoenheit (= schoonheid) breect ende dwijnt”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verdwijnen ‘weggaan’ -> Fries ferdwine ‘weggaan’; Duits dialect verdwinen ‘weggaan, vergaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verdwijnen* weggaan 1290 [CG II1 En.Codex]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut