Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verdomd - (vervloekt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verdoemen ww. ‘naar de hel zenden, vervloeken’
Mnl. verdumen ‘veroordelen, vervloeken’ [1240; Bern.], verdoemen, verdommen, verdumen ‘veroordelen, verdoemen’ in sunden ... daer si omme souden werden verdoemt ‘zonden waarvoor zij zouden worden veroordeeld’ [1276-1300; VMNW], dat hie verdumpt ware ‘dat hij veroordeeld was’ [1285; VMNW], dat God ... mi niet verdommen sal [eind 15e eeuw; MNW]; vnnl. verdoemen, verdommen ‘veroordelen, vervloeken’ in eeuwich verdommen ‘voor eeuwig vervloeken’ [1558; WNT], ‘afkeuren, veroordelen’ in (over een politieke moord) De party van A. verdoemde het [1638; WNT]; nnl. het verdoemen, verdommen ‘weigeren, vertikken’ in Dat verdoem ik [1810; WNT], Hij verdomt het te doen [1872; WNT], verdommen ‘(kunnen) schelen’ in 't kan me ook niks meer verdommen [1899; WNT].
Gevormd met het voorvoegsel → ver- dat aangeeft dat de door het grondwoord genoemde werking negatieve gevolgen heeft voor het object en het ww.doemen ‘veroordelen’; verdoemen is dus ‘door veroordelen doen ondergaan’. Uit de betekenis ‘veroordelen, afkeuren’ is in de 19e eeuw de betekenis ‘weigeren, vertikken’ ontstaan. De eveneens in de 19e eeuw ontstane betekenis ‘(kunnen) schelen’ moet zich ontwikkeld hebben uit ‘het maakt niet uit of (men) daarvoor wordt verdoemd’. Deze betekenissen hebben beide de spreektalige variant verdommen aangenomen, die bij de algemenere betekenis ‘veroordelen, vervloeken’ verdwenen is.
Verdommen is een vorm met verkorting van de klinker voor -m, zoals vooral in dialecten en spreektaal vaker voorkomt, bijv. bloem > blom, *ie-mer > immer, mnl. jamer > jammer, komen > kommen (Schönfeld, par. 31).
verdoemenis zn. ‘helse straf’. Mnl. verdumnisse ‘veroordeling, vervloeking, schande’ [1240; Bern.], verdoemenesse ‘helse straf’ in Hewelike verdoemennesse ‘eeuwige verdoemenis’ [1285; VMNW], ‘verderf, ellende’ in noint man in meerre verdoemenesse ne staerf ‘nooit stierf iemand in groter ellende’ [1300-25; MNW-R]; nnl. verdommenis in de vaste verbindingen loop naar de verdommenis ‘loop naar de hel’ [1871; WNT] en naar de verdommenis gaan of helpen ‘te gronde gaan of richten’ in je dacht dat je na de verdommenis ging [1900; WNT], net zoo lang tot ze je na de verdommenis hebben geholpen [1906; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -nis van verdoemen. De eufemistische spreektalige vorm verdommenis is thans beperkt tot het emotionele gebruik, zoals in de drie laatste attestaties. ♦ verdomd bn. ‘vervelend, verwenst’, bw. ‘zeer, erg’. Mnl. verdoemt ‘vervloekt, afschuwelijk’ in Dinganc ... es so inge ende so verdoemt ‘de ingang is zo smal en vreselijk’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. verdoemd ‘vervloekt, verwenst, afschuwelijk’ in dese verdoemde Calvinisten, dese vermaledijde Guesen [1569; WNT]; nnl. verdomd ‘id.’ in dat verdomde paardenvolk [1896; WNT], als bw. ‘vreselijk’ in een verdomd geestige naam [1901; WNT], ook als tussenwerpsel, bijv. in “Verdomd nog 'an toe!” riep hij uit [1909; WNT]. Verl.deelw. van → verdoemen. In de 19e eeuw werd de vorm verdoemd verdrongen door de variant verdomd. ♦ verdomme tw. krachtterm die hevige emoties uitdrukt. Nnl. Laat me gaan! Ik ben toch verdomme m'n eigen baas! [1892; Groene Amsterdammer], (tegen een paard) hort! vooruit ... verdomme, vort! [1900; Groene Amsterdammer], ik heb toch al geen leven, verdomme, ik ... [1909; WNT], 't duurt verdomme nog vier uur! [1920; Archief Eemland]. Verkorting van de krachtterm → godverdomme.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

verdomp (tw.) verdomd; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) verdomd, Middelnederlands verdoemt <1350>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verdomp bw., tw.
Erg, besonder, of uitroep waarmee o.a. verbasing, teleurstelling of woede uitgedruk word.
Uit Ndl. verdomd, 'n wisselvorm van verdoemd (1709 as tw., 1798 as bw.). Ndl. verdoemd is die verlede dw. van verdoemen 'verdoem'.
D. verdammt. Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1911).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

verdomp: kragw. en uitr.; Ndl. verdomd (uit verdommen/verdoemen), oor Ndl. ausl. -md teenoor Afr. -mp, vgl. Ndl. hemd en Afr. hemp, v. ook Kloe HGA 97.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

verdomd. Bastaardvloek die gevormd is van verdomme. De term is geheel tot interjectie geworden en drukt slechts verbazing en ergernis uit. Het gebruik ervan kan ook adverbiaal zijn, zoals in verdomd goed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verdomd ‘vervloekt’ -> Zuid-Afrikaans-Engels verdomde ‘verdoemd, vervloekt’ ; Petjoh verdomd, vardomd ‘heel erg, buitengewoon’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal