Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verdedigen - (afweren; opkomen voor; in rechte bijstaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verdedigen ww. ‘afweren; opkomen voor; in rechte bijstaan’
Mnl. vordegedingen, verdadingen, verdedingen, ‘voor iets opkomen (in rechte)’ in dat goet met betere rechte vordeghedinghen ‘het goed met betere aanspraak claimen’ [1328; MNW], ‘voor iemand opkomen, zijn partij kiezen’ in Dienghenen, die de stat mit rechte vordegedingen sal ‘degene voor wie de stad in rechte zal opkomen’ [1355; MNW], ‘in rechte regelen, schikken, afspreken’ in minliken compositiën ... verdedingt ‘minnelijke schikkingen afgesproken’ [1420; MNW], huwelicxe voirwairden verdadingt [1472; MNW]; vnnl. verdaedinghen, verdedinghen, verdedighen ‘verdedigen, opkomen voor; in rechte schikken of regelen’ [1588; Kil.], ‘gevaar of aanvallen afweren, afslaan’ in dat wy selven de Molucquos verdedichden ‘dat wij zelf de Molukken verdedigden’ [1610; WNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub a) van mnl. dadinge, dadinc, dedinge, dedinc ‘rechtshandeling, geschil, gerechtstermijn’ [1270-90; VMNW]; verdedigen is dus oorspronkelijk ‘door middel van rechtshandeling afwenden, een geschil in rechte afhandelen’. Dadinc is een verkorting van mnl. daghedinc ‘rechtsgeding’ [1339-45; MNW], dat zelf een samenstelling is van → dag ‘etmaal, datum; zittingsdag’ en → ding in de betekenis ‘rechtspraak, rechtsgeding’, zie ook → geding; het is dus letterlijk een geding dat op een dag is vastgesteld.
De vorm verdedigen is oorspronkelijk Oost-Nederlands (MNW). De uitgang -ingen werd aangepast aan de bij veel ww. voorkomende uitgang → -igen (Schönfeld par.169, opm. 3). De andere vormen verdwenen langzamerhand: verdadingen en verdedingen aan het eind van de 16e eeuw, verdeden in het midden van de 17e eeuw, verdadigen in de tweede helft van de 19e eeuw (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verdedigen* [afweren, weerleggen] {1591, vgl. verde(ge)dingen [door een dading regelen, voor iem. opkomen] 1328} ook middelnederlands verdadingen, van verdadinge, verdedinge [een onderling vastgestelde bepaling], van ver- + dading.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verdedigen ww., mnl. verdādinghen, verdēghedinghen, verdēdinghen, mnd. verdādingen, verdēgedingen, verdēdi(n)gen, mhd. verteidingen, vertädingen (nhd. sedert Luther verteidigen) is een afl. van mnl. dāghedinc, dādinc o., dāghedinghe, dādinghe, dēdinghe ‘gerichtstermijn, vergelijk, geschil, redenering’ (nnl. dading), os. dagething, ohd. tagading, ofri. deithing, dīthing ‘gerichtstermijn; verhandeling voor het gerecht’, samenstelling van dag en ding.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verdedigen ww., mnl. verdādinghen, verdē(ghe)dinghen. = mhd. verteidingen, vertädingen (nhd. verteidigen), mnd. verdādingen, verdē(ge)di(n)gen “voor ’t gerecht dagen, verhandelen, verdedigen”. Mnl. mhd. mnd. ook het simplex. Van mnl. (ghe)dinc o. ((ghe)dinghe, dēdinghe v.) “gerichtstermijn, vergelijk, geschil, redeneering” (nnl. dading), ohd. tagading, os. dagething, ofri. deithing, dîthing o. “gerichtstermijn”. Uit dag + ding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verdedigen o.w., met dial. e voor a, Mnl. verdadinghen + Mhd. vertagedingen (Nhd. verteidigen): van Mnl. dadinghe, Os. dagathingi + Ohd. tagading (Mhd. tagedinc) = rechtsgeding op een bepaalden dag, rechtstermijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verdedig ww.
1. Pleit vir iemand. 2. Die waarheid van 'n stelling probeer aantoon. 3. Aanvalle afweer, soms met behulp van geweld. 4. Jou verweer.
Uit Ndl. verdedigen (Mnl. verdadinghen, verde(ghe)dinghen in bet. 1, 1556 in bet. 2, 1614 in bet. 3, 1787 in bet. 4).
D. verteidigen (16de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verdedigen, bij Vondel nog verdadigen, van ’t Mnl. da-geding (zie Dagen) = rechtszitting; verdedigen w.d.z.: voor ’t gerecht zijn aanspraken enz. doen gelden, of verweren, vandaar algemeener: verweren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verdedigen ‘afweren, weerleggen’ -> Fries ferdigenje ‘afweren, weerleggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verdedigen* afweren, weerleggen 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut