Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verbolgen - (boos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verbolgen bn. ‘boos’
Onl. farbulgan ‘boos, toornig’ in Thaz er wurte thes uerbolgen ‘dat hij daarover boos zou worden’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. verbolghen ‘boos, toornig’ in Uan danne riet aiol uerbolgen ‘Aiol reed boos daar vandaan’ [1220-40; VMNW], got die here Die op Adam was so sere Verbolgen. dat ‘... die op Adam zo woedend was dat’ [1265; VMNW].
Sterk verl.deelw. van verbelgen ‘vertoornen, boos maken’, met als oudste attestatie onl. farbelgeda ‘(hij) maakte boos’ [10e eeuw; W.Ps.]. Dit werkwoord werd nog tot de 19e eeuw gebruikt en is afgeleid met het voorvoegsel → ver- (sub d) van → belgen ‘(zich) kwaad maken’. Hierin zijn een sterk werkwoord pgm. *belgan- en een zwak causatief pgm. *balgjan- samengevallen, en in het Middelnederlands worden belghen en verbelghen dan ook zowel sterk als zwak vervoegd. Een overblijfsel van de zwakke vervoeging is het bn.gebelgd ‘verstoord, gekwetst, boos’. Zie ook → oubollig ‘flauw, benepen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verbolgen* [boos] {1220-1240} verl. deelw. van middelnederlands verbelgen (vgl. belgen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verbolgen verl. deelw. van het ww, belgen, vgl. ook on. bolginn ‘gezwollen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

balg znw., behalve in blaasbalg nog slechts vulgair en dialectisch, mnl. balch (gh) m. “zak, blaasbalg, omhulsel, vel, buik, lijf”. = ohd. balg m. “korenhuls, vel, blaasbalg” (nhd. balg), os. balg m. “zak, blaasbalg”, (ofri. balg bnw. “vaginatus”), ags. belg, bylg m. “zak, blaasbalg” (eng. belly “buik”, bellows mv. “blaasbalg”), on. belgr m. “afgestroopt vel, zak, blaasbalg”, got. balgs m. “zak”, germ. *ƀalʒi- m. Van de germ. basis ƀelʒ-, ƀalʒ-, ƀulʒ- “zwellen”, waarvan ook ndl. belgen, mnl. belghen intrans. en reflexief “boos worden”, onfr. bëlgan, -on “id.”, ohd. bëlgan gew. met sih “zwellen”, gew. “boos worden”, os. bëlgan refl. “boos worden”, ofri. bëlga (alleen het verl. deelw.), ags. bëlgan intrans. en refl. “id.”. Voor den bet. overgang “zwellen” > “boos worden” bestaan veel analogieën, o.a. ndl. zich dik maken. Belgen was nog in het Mnl. sterk; nu is van die flexie het deelwoord verbolgen nog over. Het On. kent alleen dezen vorm, bolginn, met de bet. “gezwollen”. Met schwundstufe: mnl. bolghe, ohd. os. bulga v. “leeren zak” (dat echter ook van kelt.-rom. oorsprong kan zijn, evenals ook eng. bulge “buik van “een vat”), mnl. bulghe m. “gezwel”, on. bylgja v., mnd. bulge v. “golf”. (NB. vgl. oudnnl. bolk “golf, zak” met opvallende k). Van de idg. basis bhelĝh- “zwellen” komen verder gall. bulga “sacculus scorteus”, ier. bolg “zak”, russ. bólozeń “eelt, buil, likdoorn”, serv. blàzin(j)a “peluw, kussen, veeren bed”, oi. barhíṣ- “(offer)stroo”, av. barəziš- “peluw, kussen”. De basis bhelĝh- is van bhel- afgeleid. Zie bal 1.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verbolgen* boos 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut