Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verbazen - (verwonderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

verbazen ww. ‘verwonderen’
Mnl. verbasen ‘in de war brengen’ in Mine ziele, waerom bedroefdi u ende verbaest mi? ‘mijn ziel, waarom ben je zo bedroefd en breng je me in de war?’ [1340-60; MNW-P]; vnnl. verbasen ook ‘angst aanjagen’ in Och mocht icse verbasen gelijc de hasen ‘Och mocht ik hen zo bang maken als de hazen’ [1500-50; iWNT], ‘verwonderen’ in ik bemin haar met eene drift die my zelf verbaast [1782; WNT]; verbazen ‘in verwondering brengen’ [1829; Martin].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub d) van mnl. basen ‘bazelen, raaskallen, gek doen’, zie het daarvan afgeleide frequentatief → bazelen.
De oorspr. betekenis ‘(iemand) in de war brengen’ is na de 18e eeuw nauwelijks meer aangetroffen. De overgang van ‘schrik aanjagen’, ‘ontstellen’ naar ‘verwonderen’ is heel geleidelijk gegaan, zodat uit citaten niet altijd valt uit maken welke betekenis is bedoeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verbazen* [verwonderen] {verbasen [raaskallen, gek zijn] 1477; de huidige betekenis 1658} van ver- + bazen [raaskallen, ijlen] (vgl. bazelen); de grondbetekenis is: iem. in verwarring brengen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bazelen ww., eerst 19de eeuw < nhd., maar vgl. westf. baseln ‘doelloos rondlopen, iets zonder zorg doen’. Een frequentatief bij het ww. mnl. mnd. basen ‘raaskallen, bazelen, dwaas handelen’, nu vooral in het N. en O. van ons land, zoals drents en oostfri. basen, fri. base ‘raaskallen, ijlen’. Daarbij behoren verder het nu verouderde zaanse baas ‘schrik, ontsteltenis’ en verbazen (het reeds mnl. voorkomende verbaest ‘verbouwereerd’ bewijst dat deze woordgroep toen reeds bestond, maar wegens haar beperkt zijn tot de volksklasse, buiten de literatuurtaal stond). — Als verwante woorden zijn te noemen noorw. base ‘zich aftobben, leven maken’, zw. basa ‘aanstormen op’, ode. bas ‘lawaai’. Buiten het Germ. zijn geen verwante woorden te vinden.

Daarnaast staat beuzelen maar ook bezig. Hier vinden wij dus de zo vaak voorkomende verwarring der ablauts-klassen, die in woorden met een affectief karakter meermalen aan te wijzen is; men moet dan ook aannemen, dat de spreker al naar de situatie waarin hij verkeert, de klinkers naar zijn eigen behoefte kiest; zie J. de Vries, PBB 80, 1958, 1-32.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bazelen ww., eerst nnl. = westf. bāseln “doelloos rondloopen, nonchalant iets doen”. Afgeleid van mnl. mnd. bāsen “raaskallen, bazelen, dwaas handelen”, ook in den Teuth., vooral noord- en oostndl. Het komt = “raaskallen, ijlen” nog in het Oostfri., Dr. en Fri. (hier: base) voor. Vgl. nog mnl. bāsich “dwaas”, nndl. dial. (Zaansch, verouderd) baas “schrik, ontsteltenis” en nnl. verbazen (reeds laat-mnl. verbaest “verbouwereerd”), dat zich in bet. hierbij aansluit. Deze woorden kunnen bij bezig hooren, evenals beuzelen bij ags. bysig “druk bezig”. Zie bezig. Oudere bett. zijn beter in het Ngerm. bewaard: zw. basa “aanrennen op”, noorw. base “zich aftobben, leven maken” (e.a. bett.), ode. bas “lawaai”. De grondbet. van deze woordfamilie is “zich levendig, druk bewegen”. Voor een dgl. ontwikkeling vgl. bij ar II. Verwanten buiten ’t Germ. ontbreken. Misschien is germ. ƀas- uit ƀ(a)us- vervormd (vgl. beuzelen): onder welke invloeden, dat is echter moeilijk uit te maken; misschien van ðas- (zie bedeesd)? Iets positievers dan dgl. hypothesen is bij deze woordfamilie bezwaarlijk te bereiken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bazelen ono.w., frequent van bazen nog bestaande in verbazen; komt alleen voor in ’t Ndl. en Ndd.; vergel. nog Fri. basen = ijlen, en Westfa. baseln = in den blinde omloopen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1verbaas b.nw.
Verwonderd, verbysterd.
Uit Ndl. verbaasd (Mnl. verbaest), 'n afleiding van die ww. verbazen 'verbaas'.

2verbaas ww.
Verwonder, verbyster.
Uit Ndl. verbazen (Mnl. verbasen) 'ylhoofdig voel, buite jouself voel', 'n afleiding met ver- van bazen 'yl, onsin praat'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verbaasd, verbazen van ’t Mnl. bazen = ijlen: verward zijn, waarvan ons frequ. bazelen (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verbazen ‘verwonderen’ -> Deens forbavse ‘verwonderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forbause ‘verwonderen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verbazen* verwonderen 1658 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut