Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ver- - (voorvoegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ver- voorv.
Onl. for-, far-, ver- (gewestelijke varianten) in ec forsacho diabolae ‘ik zweer de duivel af’ [791-800; CG II-1, 26], uerbrustun. sina uetherun ‘zijn vinnen verbrijzeld’ [891-900; CG II-1, 39], farcundon sal ic uundir thin ‘ik zal uw wonderen verkondigen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ver-.
In ver- zijn drie verschillende voorvoegsels samengevallen, namelijk Proto-Germaans *fra-, *fur- en *fer-, die alleen in de oudste Germaanse taal, het Gotisch, nog te onderscheiden zijn, als resp. fra- ‘weg van’, faur(a)- ‘voor’ en fair- (met onduidelijke betekenis, slechts in een klein aantal woorden).
Os. far- (mnd. vor-); ohd. fir-, far- enz. (nhd. ver-); ofri. for- (nfri. for-); oe. for- (ne. for-). Noord-Germaanse woorden met dit voorvoegsel (on. for-, nzw. för- enz.) zijn in de meeste gevallen ontleend aan het Nederduits of Hoogduits. Vóór klinkers verschijnt in enkele oude afleidingen vr- (Hoogduits fr-), zie → vracht en → vreten.
Pgm. *fra- gaat terug op pie. *pro ‘voor, vooraan, naar voren’, waarvoor zie → vroeg en → pro-. Voor de betekenisontwikkeling moet men denken aan ‘naar voren’ > ‘weg van’.
Pgm. *fur- is de korte, onbeklemtoonde vorm van het bijwoord → voor 1 < pgm. *furi-, *fura-.
Pgm. fer- gaat terug op pie. *per(i)- ‘over, om’, waarbij: Latijn per ‘door(heen)’ (zie → per); Grieks perí, per ‘rond(om)’ (in → periscoop); Sanskrit pári ‘rondom; weg van; vanwege’; Litouws per̃; Oudkerkslavisch prě- ‘over, door’. Wrsch. horend bij dezelfde wortel *per- als → ver.
In het Nederlands worden met ver- in principe alleen werkwoorden afgeleid. Soms zijn deze later weer verouderd, maar bestaat er nog wel een afleiding van, bijv.verkouden, → vermaledijd, vermetel. De betekenisontwikkeling van ver- is zeer complex en wordt hier niet beschreven. De afleidingen zijn zelden eenduidig te herleiden tot een van de Germaanse voorvoegsels en door grootschalige analogiewerking zijn ook binnen het Nederlands zelf tal van nieuwe betekenissen ontstaan; het WNT onderscheidt er 32. De belangrijkste zijn:
a) Het vormt werkwoorden die verwijdering uitdrukken, bijv.verbannen, → verdwijnen, en bij uitbreiding ook verplaatsing, verlies, vormverandering e.d.
b) Het vormt werkwoorden die vernietiging, verbruik, verspilling, beschadiging e.d. uitdrukken; in deze functie is het voorvoegsel al oud (reeds Gotisch, bijv. in fra-slindan ‘verslinden’) en in het Nederlands nog steeds productief.
c) Het benadrukt een betekenisaspect van ongewenstheid of verachting, of voegt dat toe, bijv. in → verachten.
d) Het voegt geen betekenis toe, maar versterkt eventueel het simplex of benadrukt het resultaat van een handeling, bijv. in verblijven, verschillen, vereren, verbergen, verhullen, verschuilen.
e) In combinatie met zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden is ver- productief en betekent het ‘worden of maken tot wat het simplex uitdrukt’ of ‘voorzien van dat wat het simplex uitdrukt’, bijv. in → vergulden.
Ten slotte is er een aantal woorden met ver- die ontleend zijn aan het Hoog- of Nederduits en waarvan in het Nederlands niet noodzakelijk een corresponderend grondwoord bestaat, bijv.verfomfaaien, → verlof, → vernuft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ver-* [voorvoegsel] {in bv. oudnederlands fardiligon [verdelgen] 901-1000, middelnederlands verdel(i)gen} ontstaan door het samenvallen van drie voorvoegsels, vanwaar de veelheid aan betekenissen: ten eerste gotisch fair-, latijn per [door], ten tweede gotisch faur- [voor], en ten derde gotisch fra-, nederlands ver- in bv. verdelen, latijn pro- [voor]; door samensmelting van het voorvoegsel met het volgende, met een klinker beginnende woord, ontstonden o.a. vreten en vracht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ver- 2 voorvoegsel, mnl. ver-, onfrank. far-, fer-, os. far-, fer-, for-, ohd. far-, fir-, for- (nhd. ver-), ofri. for-, ūr-, oe. on. for-. — Het vocalisme wijst op verschillende prefixen en wel: *fer-, fur-, fra- vgl. got. fair-, faur-, fra-. Deze gaan terug op verschillende idg. vormen en wel. 1. *fer- < idg. *per(i) vgl. oi. pári, oiers ir-, er-, opr. per, lit. per-; 2. *fur- < *pǝri, zie: voor; 3. *fra < idg. *pro-, vgl. oi. prá-, gr. pró, lat. prō̆-, oiers ro-, opr. pra, pro, lit. pra, prō. — Zie: ver 1 en verder vreten en wrevel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ver- II prefix, mnl. ver-. = onfr. far-, fer-, ohd. far-, fir-, for- (nhd. ver-), os. far-, fer-, for-, ofri. for-, ûr-, ags. (eng.) on. for-. Hierin zijn eenige prefixen samengevallen: het Got. onderscheidt nog faír-, faúr-, fra-. Faír- uit idg. *per(i) = ier. (er- “voor”?), er- versterkend prefix, lat. per “door”, gr. perí, péri “om”, obg. prě- “door, over”, lit. per̃ “door”, oi. pári, parí “om, tegen, van–af” (alle ook als versterkend prefix), (alb. pɛr- prefix?); onverkort *peri- in ohd. firiwiʒ, firiwizzi, os. firiwit, ags. fyrwet o. “nieuwsgierigheid”; voor faúr- zie voor II; fra- = ier. ro- verbaalprefix, lat. prŏ- “voor” naast prô), gr. pró “voor”, obg. pro- (russ. ook pro voorz.), lit. pra- (naast russ. pra-, lit. prõ), oi. prá-. Vgl. nog vreten, wrevel. Al deze vormen sluiten zich met verscheidene andere bijww. en voorzz. der idg. talen aan bij de basis van varen II en ver I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ver- 2 præfix, Mnl. id., Onfra. far-, fer-, Os. far-, for- + Ohd. far-, fir- (Mhd. ver-, Nhd. id.), Ags. for- (Eng. id.), Ofri., On. for- (Zw. för-, De. for-), Go. fra- + Skr. pra-, Gr. pro-, Lat., Osl. pro-, Oier. ro-; daarnevens Go. fair + Skr. pari-, Gr. perí-, Lat. per-, Oier. er-, Osl. prě-; daarnevens nog Go. faur- + Skr. pura, Gr. pará-, Lat. por-, Oier. ar-: zoodat in Noord- en Westgerm. drie præfixen samengevallen zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ver- I: voorv. wat verb. hou m. Ndl. ver-, v. versk. herk. (vgl. Got. faur(a)-, fair- en fra-) later ged. saamgeval (WNT XIX 1), oor gebr. i. Afr. v. Kem WFA 459-468.

ver- III: – vir – ; waar Ndl. voor- in Afr. tot vir ontw. het en dan tot voorv. ver- verbleek het, word soms vir (los en selfst.) geskryf of ver- (vas en as voorv.), bv. verlaas/vir laas; vervas/vir vas, ens., v. Kem WFA soos by ver- I en II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ver- ‘voorvoegsel in werkwoorden’ -> Deens for- ‘onbeklemtoond voorvoegsel in werkwoorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors for- ‘onbeklemtoond voorvoegsel in werkwoorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds för- ‘onbeklemtoond voorvoegsel in werkwoorden’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans for- ‘voorvoegsel in werkwoorden en zelfstandige naamwoorden’ Frankisch; Javindo fer ‘voorvoegsel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut