Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

venten - (aan huis verkopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

venten ww. ‘aan huis verkopen’
Mnl. eerst alleen de uitdrukking te(r) vente(n) ‘te koop’ in So wie die sine saye leghet ... jn ander mans hus te venten ‘ieder die zijn saai in andermans huis te koop legt’ [1277; VMNW vente], dan venten ‘verkopen’ in dat hine vente of doe venten ‘dat hij hem zal verkopen of laten verkopen’ [1380; MNW]; vnnl. Venten, vente houden [1599; Kil.]; nnl. venten ‘langs de deuren of op straat te koop aanbieden’ in Zyn waaren op de Kermis loopen venten [1701; iWNT], Dat dezelve ... by de Huyzen door Persoonen van buyten komende, wierden gevent en verkogt ‘dat deze (koeken) langs de huizen werden aangeboden door lieden die van elders kwamen’ [1701; iWNT].
Afleiding van vente ‘het verkopen’ (zie boven), ontleend aan Frans vente ‘id.’ [ca. 1200; Rey], ontwikkeld uit Latijn vendita ‘verkoop’, een vrouwelijk zn., dat een herinterpretatie is van het onz. mv. van het verl.deelw. ‘de verkochte zaken’ van vendere ‘verkopen’.
Latijn vēndere is een samengetrokken vorm uit *vēnum dāre ‘te koop aanbieden’, waarin vēnum ‘verkoop’ verwant is met: Grieks ōnos ‘prijs, waarde’; Sanskrit vasná- ‘id.’; Middelperzisch wahāg ‘handel’; Oudrussisch věno ‘bruidsschat’ (Russisch véno); Armeens gin ‘id.’; < pie. *ues-no-, *uos-no- ‘verkoopprijs’, bij de wortel pie. *ues- ‘verkopen’ (LIV 693). Zie ook → waar 1 ‘handelsartikelen’.
De oorspr. betekenis in het Nederlands is ‘verkopen’. De huidige specifieke betekenis ‘aan huis verkopen’ ontstond pas in de 18e eeuw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

venten [in het klein verkopen] {1277 in de betekenis ‘te koop bieden, verkopen’} van middelnederlands vente [verkoop] < frans vente, teruggaand op latijn vendere (verl. deelw. venditum) [verkopen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

venten ww., mnl. venten ‘verkopen’, afl. van vente ‘verkoop’ < fra. vente < gallo-rom. *vendita; eig. deelw. van lat. vendere ‘verkopen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

venten ww., mnl. venten. Van mnl. mnd. vente v. “verkoop” < fr. vente (< *vendita, van lat. vendere “verkoopen”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

venten o.w., Mnl. id., denomin. van vente = verkoop, uit Fr. id., van Lat. venditam (-a), zelfst. gebr. vr. v.d. van vendere (z. vendu).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vent ww.
Goedere op straat en van huis tot huis verkoop.
Uit Ndl. venten (1780). Ndl. venten uit Mnl. vente 'verkoop'.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

venten. Deze substitutievloek wordt gebruikt in o gants sacker venten. → sacrament, stikken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Venten, denom. van ’t Mnl. vente = verkoop, van ’t Fr. vente en dit uit ’t Lat. vendita, afl. van vendere = verkoopen; Fr. vendre.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

venten in het klein verkopen aan de deur 1277 [CG I1, 354]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut