Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vent - (kerel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vent zn. ‘kerel’
Mnl. vent ‘held, man’ in Dit moghen mit rechte stoute coen venten heten ‘dit kunnen met recht dappere, onverschrokken helden worden genoemd’ [1437; MNW-P], op dezelfde plaats in latere handschriften vente, feynten, fenten [resp. 1465, ca. 1470, ca. 1480; WNT]; vnnl. vein, veyn ‘makker, kameraad’ in Hou veijn! ‘hé makker!’ [1504; iWNT], veint, vent ‘kerel, lomperik’ in Wat veynst (lees veynt) es dat met zynen zweerde? ‘wat is dat voor een kerel met zijn zwaard?’ [1525; iWNT], wat vreimder veynt, zo staet daer ‘wat een vreemde kerel staat daar’ [1526; iWNT], den hooveerdighen vent ‘die hoogmoedige kerel’ [1548; iWNT].
Gewoonlijk verklaart men vent als verkorting van → vennoot ‘zakenpartner, ambtgenoot’, via tussenvormen als vennet [1509; MNW vennoot] en veynit [1526; MNW vennoot] met verzwakte onbeklemtoonde tweede lettergreep. Er is echter geen bewijsmateriaal voor een overgangsstadium: attestaties van vennoot ‘kerel’ en van vent ‘zakenpartner, bondgenoot’ ontbreken. Slechts de vorm veyn, veijn komt in de 16e eeuw voor in de betekenis ‘makker, kameraad’.
Vent zal dus eerder hetzelfde woord zijn als Middelnederduits vent ‘kerel, jongeman’ (nnd. fent), dat wijdverbreid is, terwijl daar het woord vennoot onbekend is. De herkomst van dit woord is niet bekend. Misschien hoort het bij ohd. fendo ‘voetsoldaat’, hoewel men dan mnd. vend(e) zou verwachten.
Ook nfri. feint ‘jongen’ fint ‘kerel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vent1* [kerel] {vent, veynt 1437} via middelnederlands vennet, veinet, vennit, veynoot (vgl. vennoot), met verkorting van de klinker vóór n + dentaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vent znw. m., laat-mnl. veint(e), vent(e), feint, fent ‘gezel, kerel, man’, Kiliaen veyn ‘jonge man, knaap’, veyn, veynt (Fris.) ‘boer, jonggezel, makker’, mnd. vent ‘gezel, makker, jonge man, jongen’ is een verkorting van vennoot. — De sterke verkorting van het woord wordt toegeschreven door het gebruik als affectieve vocatief, zeker niet als scheldwoord, maar eerder hypokoristisch voor de makker.

vent [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: geen verkorting van vennoot, maar van veint < veinoot of *vênt < vênit; zie WNT.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vennoot znw., mnl. veinoot, -et, vennet m. “makker, vennoot”. Uit ouder *veemnoot, *veimnoot; dit uit veem + (ge)noot. “Voor de vocaalverkorting vgl. elf II. Kil. noemt het woord “Holl. Zeland. Fland.”. Den verkorten vorm vent vermeldt hij ook = veyn “iuvenis, adolescens, puer”, terwijl hij veyn, veynt “boer, jonggezel, makker” speciaal “Fris.” noemt. Latermnl. al ve(i)nt(e), fe(i)nt m. “gezel, kerel, man”. Mnd. komen vêm(e)nôt(e) m. “rechter in een veemgericht” en vent m. “gezel, makker, jonge man, jongen” voor. Voor de bet.-ontwikkeling vgl. borst II, gezel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vent m., Mnl. vent, veint, fent, feint, gelijk Mhd. vanz (Nhd. fant komt uit het Ndd.), uit It. fante = voetknecht, verkort uit infante, dat met Sp. id. = kind, knaap, voetknecht, van Lat. infantem (-ns) = kind, d.i. niet kunnende spreken, gevormd met het ontkennende in (z. on) en het teg.deelw. van fari (z. fabel). Van het dimin. ventkijn komt Fr. faquin. Volgens anderen ware vent ontstaan uit vennoot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vent s.nw. (enigsins neerhalend)
Kêrel, man.
Uit Ndl. vent (Mnl. vennet, veinet, vennit, veynoot), 'n afleiding van vennoot.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

ventje Aangedragen door een van de gidsen in het Jenevermuseum in Schiedam, met de mededeling dat deze borrelnaam algemeen voorkomt. Net als jongetje — zie bij jonge — en kereltje maakt ventje duidelijk dat het drinken van een borrel in de eerste plaats wordt beschouwd als een mannenzaak. Juister gezegd: de jenever wordt gepersonifieerd als een vent, een kerel, een man, en heeft dan ook verschillende mannennamen opgeplakt gekregen. De enige uitzondering is klaartje, waarbij wordt gespeeld met de vrouwennaam Klaar of Clara. Zie in dit verband bij klare. Vergelijk voorts Jan en Piet.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vent houdt Prof. Vercoullie voor een afl. van ’t It. fante = voetknecht, verkort uit infante = knaap, van ’t Lat. infant = kind (dat letterlijk bet.: niet-kunnende-praten). Anderen denken aan een verkorting van vennoot, vennet, vent, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vent ‘kerel’ ->? Duits dialect Fänte, Fente ‘(lichtzinnige) kerel’; Noors fant ‘landloper, verarmd persoon, kerel’ (uit Nederlands of Nederduits); Javindo fen, fent ‘kerel’; Sranantongo fènt ‘kerel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vent* kerel 1437 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

873. Het heer(tje) zijn,

d.w.z. zich een heer, zich voornaam gevoelen; in zijn schik zijn, er uit zijn; in de 17de eeuw ook, evenals thans, het ventje zijn (Jord. 191); in Antwerpen vent zijn in den zin van zich trotsch en verwaand toonen. In den zin van pronker komt ‘heertje’ sedert de 17de eeuw voor; in het mnl. was bekend die man zijn, dat in het Noorden van ons land nog gewoon is; zie Molema, 256 en vgl. Mnl. Wdb. IV, 1079Voor het gebruik van het lidw. van bepaaldheid vgl. Huygens, Een boer, 57: Ick wel eer de knecht; Hooft, Warenar, 1384: 't Is de tweede Rebekke; onze uitdr. Zij is de bruid.; Ndl. Wdb. VI, 341; fri. 't heartsje wêze.

2184. Een stoffel van een vent,

d.w.z. een sukkel, een onhandige kerel. Het woord stoffel (hd. Stoffel, Toffel, Töffel) is een verkorting van Christoffel, den reus, die Jezus door het water droeg en van wien Jacobus a Voragine mededeelt, dat hij ‘procerissimae staturae vultuque terribili erat et XII cubitos in longitudine possidebat’Over de legende zie Zeitschrift für Deutsche Philologie, 1901, bl. 269 en over beelden van St. Christoffel Haagsche Post, 21 Juli 1917, p. 785.. Deze Christoffel, in de 16de eeuw reeds Stoffel geheeten (vgl. Servilius, 43: hi heeft eenen Stoffel daer hi op stuent; Mergh, 34), van wien men vroeger in vele kerken groote houten standbeelden vond, werd het type van een onbehouwen, lompe figuur, van een onhandig man. Zie vooral De Bo, 205; Reinius, 110; vgl. het Zaansche een stoffel stootgarenAmstelodamum III, 53., - muurbreker voor een domoor, eene onhandige meid (Boekenoogen, 1014; 1361); het Zuidndl. een godsblok, een kerstblok van een vent (een sul); Schuermans, 683 a; Joos, 122; Waasch Idiot. 631 b: stoffel, smaadnaam, ongewillige, weerspannige. In het hd. wordt een lange man ein groszer Christoph genoemd; ook in Westph. is ein stoffel, ein dummer tölpel (Woeste, 257 a). Zie no. 1297 en vgl. nog Winschooten, 195: Die man is nog ter regter tijd geholpen, eer syn Cristoffel kwam te sterven.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut