Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

venster - (raam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

venster zn. ‘raam’
Onl. fenstar in ande sihet uz then uenstron ‘en kijkt uit het venster’ [ca. 1100; Will.]; mnl. venstre [1240; Bern.], veinster in Ende heuet sine veinstre ondaen ‘en deed (de luiken voor) zijn venster open’ [1285; VMNW].
Vroege ontlening aan Latijn fenestra ‘venster, raam’, een van de vele met de Romeinen meegekomen bouwkundige termen, zie → muur 1. Terugtrekking van het accent naar de beginlettergreep en verzwakking van de tweede leidde tot West-Germaans *fenstra- > mnl. venstere. De nevenvormen veinstere en veistere (nog West-Vlaams veister) konden ontstaan door de verschuiving -e- > -ei- voor gedekte nasaal als in → einde en → peinzen, en door assimilatie -ns- > -s-.
Mnd. venster, vinster (waaruit door ontlening nzw. fönster); ohd. fenstar (nhd. Fenster); ofri. fenster (nfri. finster); oe. fenester.
Latijn fenestra (waaruit Frans fenêtre) is mogelijk een Etruskisch leenwoord. Ook in de Keltische talen is het ontleend uit het Latijn: Oudiers senester, Welsh ffenestr, Bretons prenest).
Het woord is wrsch. ter vervanging gekomen van een inheems woord voor ‘(klein) venster’, dat niet geattesteerd is, maar vergelijkbaar moet zijn geweest met Oudhoogduits ougatora, Oudengels ēagdūru en Gotisch augadauro, die letterlijk ‘oogdeur’ betekenen, en Oudnoords vindauga, letterlijk ‘windoog’ (hieraan ontleend is Engels window).
Lit.: A. Zavaroni (2002), ‘Etymological notes on Lat. fenestra, īdūs, sinister, sīmia, sīca’, in: Classical philology 103, 304-310

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

venster [raam] {venster(e) 1201-1250} < latijn fenestra [venster, d.w.z. een opening in de muur]; het glas komt vóór de Romeinse keizertijd niet voor als afsluiting.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

venster

De Germanen leefden oudtijds in woningen van gevlochten takken. Daaraan herinnert het woord wand, dat met het werkwoord winden samenhangt. Later maakten zij houten huizen en pas van de Romeinen leerden zij het bouwen van stenen woningen. Woorden als: kalk, muur, kelder en venster zijn dan ook aan het Latijn ontleend. Onder fenestra, vaak uitgesproken als fen’stra, verstonden de Romeinen de opening in de wand die licht en lucht toeliet en sinds de Keizertijd ook: glasvenster. Dit woord venster heeft de oude Germaanse benamingen voor: opening in de wand geheel verdrongen. Alleen het woord vindauga, dat letterlijk betekent: windoog, is blijven leven. Men vindt het namelijk terug in het Engelse window.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

venster znw. o., mnl. venster(e), vinster(e), veenster(e), veinster(e) v. o., evenals mnd. venster(e), vinster(e), ohd. fenstar (nhd. fenster) met geslachtsverandering en accentterugtrekking < lat. fenestra, een van de vele woorden (als kalk, kamer, kelder, muur, mortel), die met de romeinse bouwtechniek overgenomen zijn.

Oorspronkelijk germ. namen waren got. augadauro o., oe. ēagduru v. ‘oogdeur’, ēagðyrel o. ‘ooggat’, ofri. andern, andren, nnoorw. dial. anddor en on. vindauga (> ne. window).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

venster znw. o., mnl. venster(e), vinster(e), veenster(e), veinster(e) v. o. = ohd. fenstar (nhd. fenster), mnd. venster(e), vinster(e) o. “venster”. Met geslachtsverandering, wsch. naar de oudere inheemsche benaming, uit lat. fenestra “id.”. Voor ’t teruggetrokken accent vgl. venkel, abt. Oudere germ. benamingen zijn ohd. ouga-tora, got. auga-daúro o., ags. êag-duru v., letterlijk “oog-poort, oog-deur”, ags. êag-ðŷrel o. “oog-gat”, ofri. andern, andren o. (*andi-durîn) “adem-deurtje”, on. wind-auga o. “wind-oog” (> eng. window). Voor andere ontleende bouwtermen vgl. muur I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

venster. Mnl. venster(e) ook m.? — In vele streken van Zuid-Nederland is het woord niet onzijdig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

venster o., Mnl. venstere, gelijk Hgd. fenster en Fr. fenêtre, uit Lat. fenestram (-a), dat van denz. oorsprong is als Gr. phaínein = schijnen (z. boenen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vinster (zn.) venster; Vreugmiddelnederlands fenstar <1100> < Latien fenestra.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

venster s.nw.
1. Raam, gewoonlik met 'n glasruit wat oop- en toegemaak kan word, wat in 'n muur of dak aangebring word om lug en lig in te laat. 2. Opening waardeur gekyk kan word, bv. in 'n oonddeur.
Uit Ndl. venster (Mnl. vei(n)ster(e), venster(e)).
Ndl. venster uit Latyn fenestra 'venster, t.w. 'n ruitlose opening in die muur, aangesien glas voor die Romeinse Keisertyd nog nie in ruitvorm voorgekom het nie'.
D. Fenster (8ste eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ven’ster (het, -s), (ook spreektaal) raam. Houten huisjes op neuten*, (vorm europese hondehokken) één deur en één venster (alles ongeverfd) (Rahman 30). - Etym.: In AN alleen schrijftaal, in BN ook spreektaal. S fensre.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

venster: m. deursigtige materiaal bedekte opening in muur; Ndl. venster (Mnl. venster(e)/(ook dial.) vei(n)ster(e)veinster tot 17e eeu), Hd. fenster, Oeng. fenester; ou ontln. uit Lat. fenestra, wsk. verb. m. Gr. phainein, “aan d. lig bring/kom”, en phaneros, “sigbaar”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

venster (Latijn fenestra)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Venster, van ’t Lat. fenestra, bouwterm van de Romeinen overgenomen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

venster ‘raam’ -> Zweeds fönster ‘raam’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Sotho fensetere ‘raam’ ; Negerhollands fenter, venstǝr, venstǝ, venstu, venster, wenstǝ ‘raam’; Berbice-Nederlands fensre ‘raam’; Sranantongo fensre ‘raam’; Aucaans fensee ‘raam’; Saramakkaans fensë ‘raam’ ; Arowaks penster ‘raam’; Karaïbisch fensere ‘raam’ ; Surinaams-Javaans fénsré ‘raam’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

venster raam 1100 [Willeram] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut